De wind giert door de straten en terwijl het Empire State Building zich verschuilt in een grijze wolk vormt zich een snel stromend riviertje die zich binnen een paar tellen door de hele stad heeft verspreid; de plassen reiken kuithoog. Met mijn backpack op de rug en rugzak op mijn buik ren ik door de straten. Doordat ik een uur vertraging heb arriveer ik overal net na sluitingstijd, en omdat ik geen regenjas heb is alles behalve mijn backpack doorweekt. Gelukkig is in ieder geval het postkantoor nog open, zodat ik enkele nutteloze voorwerpen naar huis kan sturen en iets lichter bepakt naar het zuiden kan vertrekken. Dan naar 85, waar ik enkele maanden geleden een oude laptop en een engels grammatica boek achterliet. De laptop kan weg, maar het boek heb ik nodig als ik les ga geven. Ik ben vergeten in welke kamer Nimfa, het oude Ecuadoriaanse vrouwtje die ik met mijn spullen heb toevertrouwt, woont en smeek daarom de hele weg of ze in de hal mag staan. De jongen van de bakker op de hoek lacht om mijn verdronken aanblik terwijl hij een blueberrymuffin voor me inpakt, die ik in twee happen naar binnen schrok; een normale maaltijd heb ik vandaag nog niet gehad en het loopt al tegen zeven uur. Gelukkig staat Nimfa in de hal en is blij met mijn onaangekondigde bezoek. Ze brengt me mijn spullen en het telefoonnummer van haar nicht in Ecuador, en gilt dat ik wel voorzichtig moet zijn als ik het gebouw uitrace, weer de regen in.
De metro heeft ondertussen ook besloten ermee op te houden en als ik uiteindelijk bij de bibliotheek aankom om mijn boek in te leveren blijkt ook deze gesloten. Het zal ook niet. Een straal koud water gutst mijn broek in als ik voorover buk om een paar woorden op te schrijven voor de bewaker in de gang. Maar van 'drop off box' hebben ze hier niet gehoord en ze kan niets voor me doen. Even overweeg ik of ik het boek gewoon aan de deurpost kan hangen, zodat ze hem morgen vinden, maar dat risico is te groot. Ondertussen zijn de voorwerpen in mijn rugzak van hun watervrees af; de handzeep en de muggenspray doen een wedstrijdje rugcrawl terwijl de boeken in hun verdrinkingsnood omkrullen. Het voelt alsof zelfs mijn botten nat worden, en om even tot mezelf te komen loop ik een willekeurig hotel binnen en vraag naar de prijs van een kamer.
Ik zie aan zijn gezicht dat hij geen grapje maakt als hij de prijs noemt en vraag dus maar naar het dichtsbijzijnde internetcafe. 'Gebruik het mijne maar', zegt hij glimlachend. Een spoor van zure regen achterlatend sjomp ik naar de computer, waar ik het adres naar mijn hostel vind en wordt verrast door drie berichten vol liefde, die me heel blij maken. Nu mijn boek nog. Ik schat in dat de aardige man van de receptie me misschien wel weer wil helpen en dat ik er hulpeloos genoeg uitzie om het voor elkaar te krijgen dat hij mijn boek inlevert. Dat klopt, en hij bloost een beetje als ik gil dat ik zo blij zijn dat er aardige mensen bestaan. Weer de regen in, nu met een grote grijns. Ik geef wat geld aan een zwerver want ik heb mijn zoektocht naar een paraplu nu wel opgegeven en ben toch al doorweekt. Vijftien meter verderop kijk ik recht in de ogen van een ongelooflijk knappe neger die me een paraplu aanbiedt. 'Ik heb geen geld!' roep ik terwijl ik doorloop. 'Maar je krijgt hem van me!' gilt hij me na. Ik begin te lachen en vraag of ik hem een knuffel mag geven, ondanks mijn natte toestand. Dat mag, en zo vervolg ik mijn weg naar de Pax iets droger, om daar een salade te halen van mijn laatste dollars. 'Iets te drinken?' 'If only...' 'Wacht,' zegt de cassiere, 'ik haal een glas water voor je'.
Is het mijn doorweektheid die heel New York doet besluiten extra aardig tegen mij te zijn? Ik weet niet wat me overkomt, maar ik geniet van de vriendelijkheid van de mensen. Als een man genaamd Lawrence aandbiedt mij naar het hostel te begeleiden, omdat hij mij de weg hoort vragen, voel ik me helemaal geweldig.
Maar ik kom te laat. 'Het is tien uur geweest. Sorry. Ik kan je niet helpen!'. Kletsnat en koud sta ik te rillen in het gangetje. 'Kun je niet je baas bellen ofzo..', suggereer ik. Dat doet hij. Zijn baas, een man bijna te dik om te lopen, zonder enige expressie op zijn gezicht, checkt iedere kamer om uiteindelijk een voor mij te vinden. Hij omzeilt alle regels zodat ik een dak boven mijn hoofd heb. Eenmaal in mijn kamer neem ik de schade op; enkele tekeningen compleet geruineerd, een belangrijk document onleesbaar en een muffe geur die alle spullen doortrekt. De douche deel ik gezellig met drie kakkerlakjes. Het vuil hangt in korsten van de muren, de kleren die ik afpel lijken meer op dweilen en mijn knieen voelen als verroeste scharnieren. Maar vandaag was een bijzondere dag, ik voel me gillend euphorisch, en als ik schoon en warm in bed stap val ik een diepe slaap vol blije dromen.
zondag 7 september 2008
vrijdag 5 september 2008
Gaan
En dan is het opeens september, twee dagen voor vertrek naar het nieuwe continent en het nieuwe avontuur. De zon gaat onder in het stinkend hete Montreal en ik speel de helft van de dag Super Mario om de tijd te doden. Ik ben zenuwachtig. Geen Starbucks meer in elke stad, geen bekende taal waaraan ik me kan vastklampen, maar opnieuw het diepe in. Zonder het in de gaten te hebben spin ik een web van stress om mijn uitgezakte lichaam en vraag me af waarom ik toch zo moe ben. Ik weet dat zodra ik in het vliegtuig zit het goed is, want dan ben ik onderweg. Onderweg zijn is het fijnste gevoel dat er is, zwevend door de tijd en nergens zijn. Nog twee nachtjes, nog 38 uur, nog een lange busreis naar New York, nog een telefoontje, nog drie maaltijden.
Het Grote Niets strekt zich oncomfortabel voor me uit. 'Kom maar op!' schreeuw ik, wetend dat de gevechten die ik hier aan zal gaan weer een nieuwe dimensie aan mij zullen bouwen. Ondertussen gaat het leven hier door. Er start een auto. Een man schreeuwt iets onverstaanbaars over straat. Twee vriendinnen giechelen om een jongen. Iedereen leeft. 'Maar jij zweeft' , zegt een kennis. Los voel ik me inderdaad. Klaar met de Verenigde Staten (verliefd op Canada), en open voor een nieuw avontuur. Kom maar op. Kom maar op. KOM MAAR OP!
Het Grote Niets strekt zich oncomfortabel voor me uit. 'Kom maar op!' schreeuw ik, wetend dat de gevechten die ik hier aan zal gaan weer een nieuwe dimensie aan mij zullen bouwen. Ondertussen gaat het leven hier door. Er start een auto. Een man schreeuwt iets onverstaanbaars over straat. Twee vriendinnen giechelen om een jongen. Iedereen leeft. 'Maar jij zweeft' , zegt een kennis. Los voel ik me inderdaad. Klaar met de Verenigde Staten (verliefd op Canada), en open voor een nieuw avontuur. Kom maar op. Kom maar op. KOM MAAR OP!
maandag 1 september 2008
Zwerver
Het is donker in het oude koffiehuis in Burlington. De kleine ruimte wordt opgevuld door een zestal tafels, stoelen, banken en een grote bar. Lampen met kappen van gebutst ijzer verlichten de ruimte een klein beetje. Aan de muur hangen kleurige schilderijen van niets in het bijzonder en op de bar staan verse koekjes. Op een podiumpje in de hoek staat een zanger met zijn gitaar. Er zijn zes anderen in de ruimte aanwezig; drie daarvan zijn zijn vrienden, twee zijn onbekenden en een is de barvrouw.
'I'm sweating like the ocean', zegt hij en ik schiet in de lach, zoals telkens om zijn zelfgebakken engels. Maar dan begint hij te spelen, zo vol overtuiging als ik in een heel lange tijd niet heb gezien. Mensen komen en gaan, blijven even kijken of rennen meteen weer weg. Het lijkt hem niets te doen. Hij speelt niet voor de aandacht, hij speelt omdat hij muziek wil maken. De afgelopen dagen heb ik samen met deze man uit Montreal etend, drinkend en muziekmakend het kleine stadje aan het meer in Vermont verkend. Zonder zorgen, want wat is er om ons zorgen over te maken? We hebben beiden niet veel meer bij ons dan een rugzak en een half plan. Hij trekt door de Verenigde Staten naar de westkust, constant op zoek naar nieuwe mensen om zijn muziek mee te delen. Zonder geld, zonder baan, zonder huur, zonder verplichtingen, zingt hij in een van zijn nummers, is het leven geweldig.
Aan het einde van de avond zijn er zestien mensen, waarvan drie uitbundig dansen. Hij kijkt op en bedankt het publiek. De ventilators aan het plafond verspreiden de geur van verse koffie, en even voel ik mij compleet gelukkig.
'I'm sweating like the ocean', zegt hij en ik schiet in de lach, zoals telkens om zijn zelfgebakken engels. Maar dan begint hij te spelen, zo vol overtuiging als ik in een heel lange tijd niet heb gezien. Mensen komen en gaan, blijven even kijken of rennen meteen weer weg. Het lijkt hem niets te doen. Hij speelt niet voor de aandacht, hij speelt omdat hij muziek wil maken. De afgelopen dagen heb ik samen met deze man uit Montreal etend, drinkend en muziekmakend het kleine stadje aan het meer in Vermont verkend. Zonder zorgen, want wat is er om ons zorgen over te maken? We hebben beiden niet veel meer bij ons dan een rugzak en een half plan. Hij trekt door de Verenigde Staten naar de westkust, constant op zoek naar nieuwe mensen om zijn muziek mee te delen. Zonder geld, zonder baan, zonder huur, zonder verplichtingen, zingt hij in een van zijn nummers, is het leven geweldig.
Aan het einde van de avond zijn er zestien mensen, waarvan drie uitbundig dansen. Hij kijkt op en bedankt het publiek. De ventilators aan het plafond verspreiden de geur van verse koffie, en even voel ik mij compleet gelukkig.
maandag 25 augustus 2008
Oogbal
De eerste winkel die ik binnenloop verkoopt oogballen, afgehakte vingers, kruisloze bodysuits en kaarten. Het is half zes 's avonds en ik heb zes en een half uur gereisd om uiteindelijk in Boston aan te komen. Ik vlucht snel de winkel uit en plof neer in de Starbucks met een cappuchino en een brownie; twee essentiele onderdelen in mijn dieet. Starbucks, mijn veilige haven, rots in de branding, en wat dies meer zij, word zoals altijd bevolkt door gekleurde mensen achter de counter en blanken ervoor. Aan de tafel achter mij vindt een louche deal plaats.
Een langharige jongen van een jaar of zestien, bekleed met goud schuift aan bij een magere Rus en haalt een i pod touch tevoorschijn; zijn vriend staat voor het raam spiedend het uitzicht te verpesten. 'So, how much?' vraagt de Rus. 'Mheimmsm' mompelt de ander. 'Hmmm'. 'Hmmm'. Er word wat geprutst en geklikt, en schichtig naar mij gekeken terwijl ik net doe alsof ik in mijn boek aan het schrijven ben, opzichtig de pen optillend, en te grote slokken van mijn cappuchino nemend. 'I'll meet you at the gasstation at 9', gromt de jongen die amper de baard in de keel heeft. Voor ik het weet zijn ze verdwenen en heb ik het kleine hoekje weer voor mezelf, om de ervaringen van de afgelopen week te overdenken.
Slechts een week geleden was ik hier ook, maar dan op Harvard. Vriendin G. studeert daar en nam me op een persoonlijke tour. Omdat we geen slaapplek hadden besloten we bijzonder vriendelijk te zijn tegen Alex, een vage bekende van haar, die ons de vloer van zijn kelder aanbood. Eerst moest hij echter een project afmaken in het laboratorium, heel hard bacterieen schudden en dan kijken wat er met ze gebeurt. Zielig. Om ons tijdens het schudden te vermaken staken we dingen in de fik, en discussieerden we over Pim Fortuyn. De vloer van het lab sliep best lekker. De vloer van zijn kamer is ranzig en ik ben bang aangevallen te worden door ratten, maar besluit er maar vanuit te gaan dat die er niet zijn. Zijn alarmklok speelt 'oh when the saints', heel hard en heel vals.
De 6 dagen daarna vieren we in Acadia National Park, in Maine. Een hostel met vreselijk aardige eigenaars word even mijn huis. Ik leer rotsklimmen en verf van schrik dezelfde avond mijn haar. Ik beklim de moeilijkste berg met veel plezier op blote voeten en lees pas bovenaan dat deze klim alleen geschikt is voor mensen met ervaring en de juiste uitrusting, dat er mensen zwaar gewond zijn geraakt en anderen zijn overleden op die bergwand. Handig, dat ze zo'n bord bovenaan zetten, als je al levend bent aangekomen. De afdaling doe ik met een stuk minder plezier. Met een bijzonder slechte voorbereiding (een halve fles water, geen eten, en geen schoenen) en een kater is vijf uur klimmen toch wel lang. Maar ik zie wel een slang en spreek een vrouw die zal emigreren als McCain de verkiezingen wint.
Iedere morgen zitten G. en ik aan dezelfde tafel te ontbijten, met een breakfast sandwich and orange juice. Tropicana please. En we mogen twee keer steak, rare please, with fries and do you maybe have some mayonaise? Awesome, cheers.
Nog twee volle weken te gaan en dan naar Zuid Amerika. Alsof ik dat durf, in mijn eentje!
Een langharige jongen van een jaar of zestien, bekleed met goud schuift aan bij een magere Rus en haalt een i pod touch tevoorschijn; zijn vriend staat voor het raam spiedend het uitzicht te verpesten. 'So, how much?' vraagt de Rus. 'Mheimmsm' mompelt de ander. 'Hmmm'. 'Hmmm'. Er word wat geprutst en geklikt, en schichtig naar mij gekeken terwijl ik net doe alsof ik in mijn boek aan het schrijven ben, opzichtig de pen optillend, en te grote slokken van mijn cappuchino nemend. 'I'll meet you at the gasstation at 9', gromt de jongen die amper de baard in de keel heeft. Voor ik het weet zijn ze verdwenen en heb ik het kleine hoekje weer voor mezelf, om de ervaringen van de afgelopen week te overdenken.
Slechts een week geleden was ik hier ook, maar dan op Harvard. Vriendin G. studeert daar en nam me op een persoonlijke tour. Omdat we geen slaapplek hadden besloten we bijzonder vriendelijk te zijn tegen Alex, een vage bekende van haar, die ons de vloer van zijn kelder aanbood. Eerst moest hij echter een project afmaken in het laboratorium, heel hard bacterieen schudden en dan kijken wat er met ze gebeurt. Zielig. Om ons tijdens het schudden te vermaken staken we dingen in de fik, en discussieerden we over Pim Fortuyn. De vloer van het lab sliep best lekker. De vloer van zijn kamer is ranzig en ik ben bang aangevallen te worden door ratten, maar besluit er maar vanuit te gaan dat die er niet zijn. Zijn alarmklok speelt 'oh when the saints', heel hard en heel vals.
De 6 dagen daarna vieren we in Acadia National Park, in Maine. Een hostel met vreselijk aardige eigenaars word even mijn huis. Ik leer rotsklimmen en verf van schrik dezelfde avond mijn haar. Ik beklim de moeilijkste berg met veel plezier op blote voeten en lees pas bovenaan dat deze klim alleen geschikt is voor mensen met ervaring en de juiste uitrusting, dat er mensen zwaar gewond zijn geraakt en anderen zijn overleden op die bergwand. Handig, dat ze zo'n bord bovenaan zetten, als je al levend bent aangekomen. De afdaling doe ik met een stuk minder plezier. Met een bijzonder slechte voorbereiding (een halve fles water, geen eten, en geen schoenen) en een kater is vijf uur klimmen toch wel lang. Maar ik zie wel een slang en spreek een vrouw die zal emigreren als McCain de verkiezingen wint.
Iedere morgen zitten G. en ik aan dezelfde tafel te ontbijten, met een breakfast sandwich and orange juice. Tropicana please. En we mogen twee keer steak, rare please, with fries and do you maybe have some mayonaise? Awesome, cheers.
Nog twee volle weken te gaan en dan naar Zuid Amerika. Alsof ik dat durf, in mijn eentje!
donderdag 21 augustus 2008
Komen en gaan
De zon zakt rozig achter de heuvels van Vermont. Het is maandagavond en ik zit in de auto met het stel T. en V. dat ik de avond daarvoor heb ontmoet. We zijn onderweg naar St Vernan, een klein dorpje in het oosten van Quebec. ‘Heb je zin om een week met ons mee te gaan?’ vroeg T. eerder aan het veel te dure diner. Ik beloofde er een nacht over te slapen, maar meer dan een uur had ik niet nodig om te weten dat dit de beste aanbieding was die ik kon krijgen op dit moment.
De reis duurt zeven uur en brengt ons naar een land met drie huizen, een meertje, een maplebos en zoveel rust als ik in weken niet gevoeld heb. Er is een bed voor me opgemaakt en de volgende morgen word ik wakker van de zon die de kamer in schijnt. De gastvrouw is een ietwat vreemde blonde dame die vast lijkt te zitten in de jaren 70. Hardcore hippie en mediterende buddhiste, of hindoeiste. Grinnekend laat ik haar met een lichtzwaard mijn aura schoonmaken terwijl T. zich verontschuldigt. Ik ben wel iets gewend, maar raak toch een beetje in de war van het bezoek dat we brengen aan een andere vrouw. Ze is een ‘heler’, wat dat moge zijn, en werkt op het moment met paarden. Verhalen over huilende merries, open eerste en tweede chakras en de diepe emoties van de dieren vliegen over de tafel en M. (de verloofde van T. ) en ik kijken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan. Half giechelend verlaten we gedrieeen het huis en besluiten dat we nu toch zeker wel een ijsje verdiend hebben.
Als er dan toch gemediteerd moet worden dan doe ik dat wel door flink fysiek werk te verzetten; voor het eerst in mijn leven hak ik hout en dat geeft me meer voldoening dan enig ander werk dan ik ooit heb gedaan. De voldoening die het splijten van het hout met een bijl gedreven door al mijn opgekropte emoties geeft is onbeschrijflijk.
We beginnen elkaar zo goed te leren kennen dat het is alsof ik nieuwe familie heb gekregen, en dat zeg ik ze ook. Ze nemen me mee om poutin te eten, om hun vrienden te leren kennen, om bloemen uit te kiezen voor hun bruiloft en we drinken en lachen en kijken foto’s en praten, praten tot we er bij neervallen. Hoewel we veel in de auto zitten verveel ik me geen moment.
We hebben een feestmaal met een aantal gasten en de mannen gaan eropuit om alcohol te halen terwijl de vrouwen de situatie in de wereld bespreken. Hier kom ik erachter dat de vrouw die naast me zit samen werkt met het meisje waarbij ik gelogeerd heb in Montreal. De wereld is zo verschrikkelijk klein! Ze heeft een programma opgezet om jonge meisjes in te lichten over seks, hun lichaam, en hun waarde. Heel interessant, vooral omdat ik telkens weer mensen tegenkom die met dergelijke zaken bezig zijn; dingen die mij heel erg interesseren. Als het toetje op tafel komt: een blueberry pie met slagroom en chocola, beginnen de drie mannen opeens ‘ happy birthday ‘ voor mij te zingen (het is niet mijn verjaardag) en leggen een cadeau op tafel, ingepakt in tafelkleed en nepmeloen. Het bevat een miniboerderij in een doos met vreselijk grappige ‘chinglish’ zinnen erop, zoals ‘ once own, nothing can instead!’ en 'true one to 36 scale'. Ik weet niet waar ik het aan verdiend heb maar besluit de doos en de kip te houden en de rest te doneren aan de famlie. De kip is tenslotte op ware 1:36 schaal gemaakt… Mijn nieuwe reismaatje!
Later die avond, licht onder invloed van een en ander, speel ik pictionary in een team met vriend D. . We doen beide net alsof we vreselijk fanatiek zijn en verliezen schandalig, maar schuiven dat op het feit dat ik een aantal woorden niet ken. Onze tegenspelers, een stel uit Sherbrook –de hoofdstad van de Hells Angels- bedenken nieuwe regels die we vrolijk invoeren en uiteindelijk veranderen we het hele spel in Hints.
En dan moet ik weer weg, weer op naar mijn volgende avontuur. Is het het waard om telkens mensen te verlaten die mij lief zijn geworden? Het lijkt alsof ik verslaafd ben aan de adrenaline van mezelf telkens weer in het diepe gooien, uit mijn comfort zone te halen en volop de wereld in te gaan zonder een idee te hebben wat me te gebeuren staat. Maar nu ik hier weg moet verschijnen er voor het eerst echte tranen, omdat ik een huis heb gevonden vol liefde voor een op straat gevonden vreemdeling, en mensen die ik mijn leven lang niet zal vergeten.
De reis duurt zeven uur en brengt ons naar een land met drie huizen, een meertje, een maplebos en zoveel rust als ik in weken niet gevoeld heb. Er is een bed voor me opgemaakt en de volgende morgen word ik wakker van de zon die de kamer in schijnt. De gastvrouw is een ietwat vreemde blonde dame die vast lijkt te zitten in de jaren 70. Hardcore hippie en mediterende buddhiste, of hindoeiste. Grinnekend laat ik haar met een lichtzwaard mijn aura schoonmaken terwijl T. zich verontschuldigt. Ik ben wel iets gewend, maar raak toch een beetje in de war van het bezoek dat we brengen aan een andere vrouw. Ze is een ‘heler’, wat dat moge zijn, en werkt op het moment met paarden. Verhalen over huilende merries, open eerste en tweede chakras en de diepe emoties van de dieren vliegen over de tafel en M. (de verloofde van T. ) en ik kijken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan. Half giechelend verlaten we gedrieeen het huis en besluiten dat we nu toch zeker wel een ijsje verdiend hebben.
Als er dan toch gemediteerd moet worden dan doe ik dat wel door flink fysiek werk te verzetten; voor het eerst in mijn leven hak ik hout en dat geeft me meer voldoening dan enig ander werk dan ik ooit heb gedaan. De voldoening die het splijten van het hout met een bijl gedreven door al mijn opgekropte emoties geeft is onbeschrijflijk.
We beginnen elkaar zo goed te leren kennen dat het is alsof ik nieuwe familie heb gekregen, en dat zeg ik ze ook. Ze nemen me mee om poutin te eten, om hun vrienden te leren kennen, om bloemen uit te kiezen voor hun bruiloft en we drinken en lachen en kijken foto’s en praten, praten tot we er bij neervallen. Hoewel we veel in de auto zitten verveel ik me geen moment.
We hebben een feestmaal met een aantal gasten en de mannen gaan eropuit om alcohol te halen terwijl de vrouwen de situatie in de wereld bespreken. Hier kom ik erachter dat de vrouw die naast me zit samen werkt met het meisje waarbij ik gelogeerd heb in Montreal. De wereld is zo verschrikkelijk klein! Ze heeft een programma opgezet om jonge meisjes in te lichten over seks, hun lichaam, en hun waarde. Heel interessant, vooral omdat ik telkens weer mensen tegenkom die met dergelijke zaken bezig zijn; dingen die mij heel erg interesseren. Als het toetje op tafel komt: een blueberry pie met slagroom en chocola, beginnen de drie mannen opeens ‘ happy birthday ‘ voor mij te zingen (het is niet mijn verjaardag) en leggen een cadeau op tafel, ingepakt in tafelkleed en nepmeloen. Het bevat een miniboerderij in een doos met vreselijk grappige ‘chinglish’ zinnen erop, zoals ‘ once own, nothing can instead!’ en 'true one to 36 scale'. Ik weet niet waar ik het aan verdiend heb maar besluit de doos en de kip te houden en de rest te doneren aan de famlie. De kip is tenslotte op ware 1:36 schaal gemaakt… Mijn nieuwe reismaatje!
Later die avond, licht onder invloed van een en ander, speel ik pictionary in een team met vriend D. . We doen beide net alsof we vreselijk fanatiek zijn en verliezen schandalig, maar schuiven dat op het feit dat ik een aantal woorden niet ken. Onze tegenspelers, een stel uit Sherbrook –de hoofdstad van de Hells Angels- bedenken nieuwe regels die we vrolijk invoeren en uiteindelijk veranderen we het hele spel in Hints.
En dan moet ik weer weg, weer op naar mijn volgende avontuur. Is het het waard om telkens mensen te verlaten die mij lief zijn geworden? Het lijkt alsof ik verslaafd ben aan de adrenaline van mezelf telkens weer in het diepe gooien, uit mijn comfort zone te halen en volop de wereld in te gaan zonder een idee te hebben wat me te gebeuren staat. Maar nu ik hier weg moet verschijnen er voor het eerst echte tranen, omdat ik een huis heb gevonden vol liefde voor een op straat gevonden vreemdeling, en mensen die ik mijn leven lang niet zal vergeten.
donderdag 14 augustus 2008
Pijn en chagrijn
In het verregende Bryant Park schalt een misplaatste Franse chanson uit de luidsprekers van een kitcherige carrousel. Een vijfjarig kind houd zich stevig vast aan de oren van de haas waar hij op rijdt, terwijl zijn moeder ondertussen driftig een nieuwe oppas aan het Googlen is en tegelijkertijd een telefoongesprek al ohmyGOOODdent gaande houdt.
Een stukje verderop loopt een vader met enorme constructie op zijn rug waarvan je alleen weet dat het een 'kinderdrager' is door de schreeuwerig oranje croc die aan een beentje tegen de man zijn even oranje achterwerk bungelt, als ware het om de pakezel aan te sporen tot nog snellere tred. Gezien zijn grote, in witte sportsokken gestoken voeten geschoeid met wandelschoeisel eerste klas moet dit in principe mogelijk zijn. Het verlangen een foto te maken van dit tafereel om het te kunnen delen met vriendin A., die dit ongetwijfeld kan waarderen, heb ik geen zin om mijn handen in de met broodkruimels en geplet fruit besmeurde tas te steken en laat de kans voorbijgaan. Niet dat ik recht van spreken heb, in mijn roze flodderhemd met floekend rode zonnebril. Mijn toch zeker enkele weken niet geschoren benen en oksels laten onverhulde lachsalvo's weerklinken in het dagelijks waxende publiek, maar dat kan me niets schelen. Scheren is zo juni.
Een stelletje is zeer verdiepd in een uitgebreid onderling keelonderzoek en ik voel mijn mueslireep een sprintje trekken naar de voordeur. Liefde is wel het laatste waar ik zin in heb en gemeen denk ik over de waarschijnlijk mislukkende relatie die zich hier nog staande houdt, waarin de man zich na anderhalf kind en een labrador realiseert dat zijn vrouw een verlept chagrijnig wijf is en er dus maar vandoor gaat met een hersenloze bimbo die hem in ieder geval niet zal vragen over zijn gevoelens te praten.
-excuses, trouwende vrienden, ik wens jullie het beste, dit is slechts persoonlijke frustratie -
De rest van de mensen zien er ook al zo smerig gelukkig uit, allemaal met perfecte huid, niet te harde kirretjes van plezier, fonkelende diamanten aan hun ringvingers of een koddig babietje in een kinderwagen à $1000 'because you know, we like only like want the best for our little angel'.
Mijn humeur is gedaalt tot zeker 15 graden Fahrenheit, wat ongetwijfeld te maken heeft met het feit enkele weken geleden zonder greintje schaamte gedumpt te zijn door vriend A. en vervolgens los en vast geleefd te hebben uit mijn duitse rugzak. Nu, terug in New York voor een dag, heb ik een kater, ongetwijfeld een kegel, en erg veel zin in pizza. Goede vriend A. te A. vroeg eerder, licht geschokt door mijn verhalen over chocola, drank en aandacht, of ik wel goed voor mezelfd zorgde. Ik overtuigde hem dat ik echt in maanden niet zo gelachen had als de afgelopen dagen en nachten en dat het dus prima ging, zolang ik mijn emoties maar niet uit de ijskast haalde en deed alsof het allemaal vanzelf weer over gaat. Hoewel hij niets door laat schemeren weet ik hem zuchtend aan de andere kant van het scherm, terwijl hij me toevertrouwd dat hij graag met een vleesmes één en ander recht zou komen zetten, dat ik wel voorzichtig moet zijn en ook goed moet eten. Glimlachend -wat hij trouwens ook niet ziet- voel ik me even héél geliefd en zeg ik hem dat er niets beter is dan een excuus om ongegeneerd wijn en chocola te nuttigen, en je zelf het vreselijk allerbelangrijkst te vinden op de hele wereld. En dat ik straks lekker een pizza haal met minimaal 1000 calorieen om dat te vieren.
Een stukje verderop loopt een vader met enorme constructie op zijn rug waarvan je alleen weet dat het een 'kinderdrager' is door de schreeuwerig oranje croc die aan een beentje tegen de man zijn even oranje achterwerk bungelt, als ware het om de pakezel aan te sporen tot nog snellere tred. Gezien zijn grote, in witte sportsokken gestoken voeten geschoeid met wandelschoeisel eerste klas moet dit in principe mogelijk zijn. Het verlangen een foto te maken van dit tafereel om het te kunnen delen met vriendin A., die dit ongetwijfeld kan waarderen, heb ik geen zin om mijn handen in de met broodkruimels en geplet fruit besmeurde tas te steken en laat de kans voorbijgaan. Niet dat ik recht van spreken heb, in mijn roze flodderhemd met floekend rode zonnebril. Mijn toch zeker enkele weken niet geschoren benen en oksels laten onverhulde lachsalvo's weerklinken in het dagelijks waxende publiek, maar dat kan me niets schelen. Scheren is zo juni.
Een stelletje is zeer verdiepd in een uitgebreid onderling keelonderzoek en ik voel mijn mueslireep een sprintje trekken naar de voordeur. Liefde is wel het laatste waar ik zin in heb en gemeen denk ik over de waarschijnlijk mislukkende relatie die zich hier nog staande houdt, waarin de man zich na anderhalf kind en een labrador realiseert dat zijn vrouw een verlept chagrijnig wijf is en er dus maar vandoor gaat met een hersenloze bimbo die hem in ieder geval niet zal vragen over zijn gevoelens te praten.
-excuses, trouwende vrienden, ik wens jullie het beste, dit is slechts persoonlijke frustratie -
De rest van de mensen zien er ook al zo smerig gelukkig uit, allemaal met perfecte huid, niet te harde kirretjes van plezier, fonkelende diamanten aan hun ringvingers of een koddig babietje in een kinderwagen à $1000 'because you know, we like only like want the best for our little angel'.
Mijn humeur is gedaalt tot zeker 15 graden Fahrenheit, wat ongetwijfeld te maken heeft met het feit enkele weken geleden zonder greintje schaamte gedumpt te zijn door vriend A. en vervolgens los en vast geleefd te hebben uit mijn duitse rugzak. Nu, terug in New York voor een dag, heb ik een kater, ongetwijfeld een kegel, en erg veel zin in pizza. Goede vriend A. te A. vroeg eerder, licht geschokt door mijn verhalen over chocola, drank en aandacht, of ik wel goed voor mezelfd zorgde. Ik overtuigde hem dat ik echt in maanden niet zo gelachen had als de afgelopen dagen en nachten en dat het dus prima ging, zolang ik mijn emoties maar niet uit de ijskast haalde en deed alsof het allemaal vanzelf weer over gaat. Hoewel hij niets door laat schemeren weet ik hem zuchtend aan de andere kant van het scherm, terwijl hij me toevertrouwd dat hij graag met een vleesmes één en ander recht zou komen zetten, dat ik wel voorzichtig moet zijn en ook goed moet eten. Glimlachend -wat hij trouwens ook niet ziet- voel ik me even héél geliefd en zeg ik hem dat er niets beter is dan een excuus om ongegeneerd wijn en chocola te nuttigen, en je zelf het vreselijk allerbelangrijkst te vinden op de hele wereld. En dat ik straks lekker een pizza haal met minimaal 1000 calorieen om dat te vieren.
zaterdag 9 augustus 2008
On the road again
Het is half 12 in de morgen. Een dikke rat knaagt onverstoorbaar aan een afgedankte boterham op het metrospoor terwijl ik met een van slaap verdoofd hoofd moeizaam de trap op klim, mijn backpack vervloekend. Ik heb de afgelopen nacht doorgebracht in een Greyhoundbus vanuit Canada, vijf uur wachtend aan de grens zonder reden, naast een goedgemutste neger die het op een snurken zette alsof hij een record moest breken, vervolgens wakker werd en met een lachje opmerkte dat ik nog steeds niet aan het slapen was. Nee. Inderdaad.
De weken voorafgaand aan de oneindige busreis bracht ik door in het land van de Maplesyrup, wasbeertjes op het asfalt, borden die waarschuwen voor elanden, en beren die zoveel van de gemorste chocoladepudding houden dat ze inbreken op je kamp om je vervolgens in doodsangst de nacht te laten doorbrengen met zes anderen in een te kleine tent. De meren zijn groot, vol vissen en kleine eilandjes waar je het gevoel hebt dat je alleen op de wereld bent, op een paar waterlelies en wat kanoers na. Het contrast met New York is te groot om te bevatten; opeens is het scheren van benen, het gebruik van deodorant, het kopen kopen kopen, prada prada gucci gucci, geheel onbelangrijk. Slechts de zon, het water, de brulkikkers die met hun luide ge 'MEEE' elkaar proberen te versieren en de loon vogels die diep fluitend overleggen over het avondeten vormen de achtergrond voor het ordenen van mijn gedachten. Er is veel om over te denken en de ruimte die ik mij al reizend verwerf is groot, en heel erg lekker.
Na vijf dagen in dit paradijs -afgezien van de beren, maar ach, we leven allemaal nog- vertrek ik naar Toronto. Mijn familie, die ik nog nooit bewust had ontmoet, heet mij meer dan welkom en zorgt voor me zoals alleen een familie dat kan. De stad is zachter dan New York, en als ik bovenop de grootste toren van de wereld sta ben ik onder de indruk van het land, de ruimte, de mensen.
Maar ook hier moet ik weer verder, dieper het land in, op zoek naar Canadese cultuur, natuur. Ik kom in Quebec city, een stad die compleet misplaatst lijkt in de grote wildernis. Frankrijk in het klein. Gebouwd op een berg voelt het alsof ik in Europa ben, wat benadrukt wordt door het feit dat men praktisch geen Engels spreekt. Ik voel me ver weg van alles wat ik ken en besluit dat te vieren met enkele cocktails en wat bier. Een man gekleed in leer gebruikt mondspray na elke sigaret, wat me in onbedaarlijk giechelen doet uitbreken -wat overigens niets te maken had met de alcohol, echt niet.
Mijn gastvrouw neemt me mee op een fietstocht door het platteland. We bezoeken een enorme waterval, en Ile d'Orleans, waar we op een zwartebessen boerderij Creme de Cassis proeven, bij een chocoladefabriekje gulzig het 'zwarte goud' naar binnen werken en verse aardbeien kopen voor het avondeten. Op de terugweg plukken we wilde bloemen langs de kant van de weg, en gieren het uit om een beeld van een engel op een bromfiets. Thuisgekomen dragen we gekke jurkjes, koken, drinken, lachen, huilen en zingen en besluiten dat we ooit samen door het hele land zullen trekken op de fiets.
Ik ga door, naar Montreal. Mijn gastvrouw daar geeft me een bed en de sleutel, vrije toegang tot de koelkast die gevuld is met alle biologische lekkernijen die je je voor kunt stellen, of die je je nog nooit voorgesteld had. Later drinken we bier en praten we over doodgaan; een nogal zwaar onderwerp om aan te snijden met iemand die ik welgeteld drie uur ken maar wat kan het schelen.
Ik houd van Canada, hoewel restjes van de orkaan in Florida het weer lichtelijk aan het verpesten zijn. Iemand geeft me een gratis kaartje voor een Afrikaans circus, waar ik mannen en vrouwen hoor zingen en dansen zoals alleen Afrikanen dat kunnen. De zon zakt en na de show loop ik naar het water om een ongelooflijk vuurwerk te bekijken, groter en specataculairder dan ooit gezien. Een man licht me bij met zijn telefoon als hij ziet dat ik moeite heb met het lezen van mijn boek bij het zwakke licht van de lantaarnpaal.
Als ik mijzelf de trap op heb gewerkt en de deur uit stap weet ik niet wat me overkomt. Het gilt, het schreeuwt, het toetert, het stinkt, het walmt. Dan realiseer ik het me: ik ben terug in New York. Glimlachend knal ik door de mensenmenigte de eerste de beste Pax in, steel een New York Today van een verlaten tafeltje en wacht met een maag die klotst van de blueberry yoghurt op Anne, om samen het weekend in Washington en Philadelphia door te brengen. De media vertelt me, na een groot artikel over de nieuwe realityshow van Pamela Anderson, de bevalling van Angelina en Paris Hilton die weer eens dronken was, of stoned, of gewoon hersenloos, dat Karadzic is opgepakt. Een voldaan 'haHA' ontsnapt uit mijn mond, en ik doe een klein vreugdedansje voor de vrouwen van Srebrenica.
De weken voorafgaand aan de oneindige busreis bracht ik door in het land van de Maplesyrup, wasbeertjes op het asfalt, borden die waarschuwen voor elanden, en beren die zoveel van de gemorste chocoladepudding houden dat ze inbreken op je kamp om je vervolgens in doodsangst de nacht te laten doorbrengen met zes anderen in een te kleine tent. De meren zijn groot, vol vissen en kleine eilandjes waar je het gevoel hebt dat je alleen op de wereld bent, op een paar waterlelies en wat kanoers na. Het contrast met New York is te groot om te bevatten; opeens is het scheren van benen, het gebruik van deodorant, het kopen kopen kopen, prada prada gucci gucci, geheel onbelangrijk. Slechts de zon, het water, de brulkikkers die met hun luide ge 'MEEE' elkaar proberen te versieren en de loon vogels die diep fluitend overleggen over het avondeten vormen de achtergrond voor het ordenen van mijn gedachten. Er is veel om over te denken en de ruimte die ik mij al reizend verwerf is groot, en heel erg lekker.
Na vijf dagen in dit paradijs -afgezien van de beren, maar ach, we leven allemaal nog- vertrek ik naar Toronto. Mijn familie, die ik nog nooit bewust had ontmoet, heet mij meer dan welkom en zorgt voor me zoals alleen een familie dat kan. De stad is zachter dan New York, en als ik bovenop de grootste toren van de wereld sta ben ik onder de indruk van het land, de ruimte, de mensen.
Maar ook hier moet ik weer verder, dieper het land in, op zoek naar Canadese cultuur, natuur. Ik kom in Quebec city, een stad die compleet misplaatst lijkt in de grote wildernis. Frankrijk in het klein. Gebouwd op een berg voelt het alsof ik in Europa ben, wat benadrukt wordt door het feit dat men praktisch geen Engels spreekt. Ik voel me ver weg van alles wat ik ken en besluit dat te vieren met enkele cocktails en wat bier. Een man gekleed in leer gebruikt mondspray na elke sigaret, wat me in onbedaarlijk giechelen doet uitbreken -wat overigens niets te maken had met de alcohol, echt niet.
Mijn gastvrouw neemt me mee op een fietstocht door het platteland. We bezoeken een enorme waterval, en Ile d'Orleans, waar we op een zwartebessen boerderij Creme de Cassis proeven, bij een chocoladefabriekje gulzig het 'zwarte goud' naar binnen werken en verse aardbeien kopen voor het avondeten. Op de terugweg plukken we wilde bloemen langs de kant van de weg, en gieren het uit om een beeld van een engel op een bromfiets. Thuisgekomen dragen we gekke jurkjes, koken, drinken, lachen, huilen en zingen en besluiten dat we ooit samen door het hele land zullen trekken op de fiets.
Ik ga door, naar Montreal. Mijn gastvrouw daar geeft me een bed en de sleutel, vrije toegang tot de koelkast die gevuld is met alle biologische lekkernijen die je je voor kunt stellen, of die je je nog nooit voorgesteld had. Later drinken we bier en praten we over doodgaan; een nogal zwaar onderwerp om aan te snijden met iemand die ik welgeteld drie uur ken maar wat kan het schelen.
Ik houd van Canada, hoewel restjes van de orkaan in Florida het weer lichtelijk aan het verpesten zijn. Iemand geeft me een gratis kaartje voor een Afrikaans circus, waar ik mannen en vrouwen hoor zingen en dansen zoals alleen Afrikanen dat kunnen. De zon zakt en na de show loop ik naar het water om een ongelooflijk vuurwerk te bekijken, groter en specataculairder dan ooit gezien. Een man licht me bij met zijn telefoon als hij ziet dat ik moeite heb met het lezen van mijn boek bij het zwakke licht van de lantaarnpaal.
Als ik mijzelf de trap op heb gewerkt en de deur uit stap weet ik niet wat me overkomt. Het gilt, het schreeuwt, het toetert, het stinkt, het walmt. Dan realiseer ik het me: ik ben terug in New York. Glimlachend knal ik door de mensenmenigte de eerste de beste Pax in, steel een New York Today van een verlaten tafeltje en wacht met een maag die klotst van de blueberry yoghurt op Anne, om samen het weekend in Washington en Philadelphia door te brengen. De media vertelt me, na een groot artikel over de nieuwe realityshow van Pamela Anderson, de bevalling van Angelina en Paris Hilton die weer eens dronken was, of stoned, of gewoon hersenloos, dat Karadzic is opgepakt. Een voldaan 'haHA' ontsnapt uit mijn mond, en ik doe een klein vreugdedansje voor de vrouwen van Srebrenica.
Abonneren op:
Posts (Atom)