zondag 12 oktober 2008

Huayna Potosi

De nacht is stil. Er zijn slechts twee geluiden die ik hoor; het gekraak van de schoenen in de sneeuw, en het gehijg van mijzelf. Ik heb bijna geen lucht maar moet omhoog. Mijn adem maakt wolkjes in de donkere lucht, mijn felle hoofdlamp drukt op mijn voorhoofd en bezorgt me meer hoofdpijn dan ik zou moeten hebben. Met elke stap lijkt de zuurstof te verminderen. Vrolijk twinkelen de lichtjes van La Paz in de verte, aan de andere kant slechts een diep dal. Boven mij de sterren van de zuidelijke hemisfeer, voor me de gids, achter me B., de geoefende klimmer die bevroren lijkt te zijn in zijn eigen gedachten. We stoppen even en ik gooi mijn hoofd in mijn nek en mijn armen in de lucht. De neiging om mijn kleren uit te trekken is nauwelijks te onderdrukken, maar naakt in min 15 is geen goed plan. Dus verder maar weer. De ijswand is gemakkelijk met een bijl te beklimmen, het volgende pad is echter nauwelijks een pad te noemen. Springend van eilandje naar eilandje, over gapende dieptes die blauw oplichten in het licht van de beginnende morgen. Na zes en een half uur klimmen zien we de top, nog even, over een richel niet breder dan mijn laars.

´What the fuck am I doing on top of this mountain?´ vraag ik verdwaasd aan B. Ik wil niet verder! Jawel, roept hij me de moed in. Eindelijk boven zien we de zon opkomen. Daar ligt La Paz, en verderop het Titicacameer. Het dal verschuilt zich onder pluizige wolken. Ik besef dat dit slechts de helft is, dat ik geen keuze heb, dat ik naar beneden moet. Mijn haren zijn bevroren, net als mijn neus. De gids lacht. We moeten terug naar beneden, voordat het te warm wordt. Na drie stappen val ik en verdraai mijn knieen. ´Ik kan dit niet doen!´ schreeuw ik. Jawel, roept B. me de moed weer in. Na de smalle richel terug naar de eilandjes. Ik val weer. Ik ben misselijk en mijn darmen werken ook niet zoals het hoort. Nog een keer vallen. De gids begint tegen me te praten in het Spaans, wat ik gewoonlijk perfect versta. Ik heb geen idee wat hij probeert te zeggen, draai me om en schreeuw dat hij moet stoppen met Spaans praten, dat hij na vijftien jaar op deze berg toch Engels zou moeten kunnen. Ik val weer. En begin eindelijk te huilen.

Later, na enkele uren miserabele afdaling, val ik in een diepe droomloze slaap en word verdwaasd wakker als de gids vertelt dat we nu de laatste vierhonderd meter gaan doen. Het eten in deze tocht was vreselijk slecht, alleen rijst, met iets dat op hondenworst leek en er verdacht naar rook, dus vol zijn we niet. Maar we komen beneden, uitgeput maar voldaan. Ik heb net bovenop een berg van 6088 meter gestaan. Ik kan dingen die ik nooit verwacht had. B. en zijn vriendin J. voelen zich net zo voldaan, en samen drinken we een grote fles Boliviaans bier om te vieren dat we van de berg hebben gewonnen.

zondag 5 oktober 2008

Klimmen, feesten, reizen, feesten, klimmen

Om de ruines van Machu Picchu te bereiken kunnen verschillende routes genomen worden; de beroemde Inca Trail, die maanden van te voren geboekt moet worden en dus vol is, een jungle trek, een wandeltocht, en de Salkantay trek. Deze laatste gaat via de pas van de berg Salkantay richting de ruines. Het is een tocht van 77 kilometer in vier dagen. Op dag vijf dan eindelijk Machu Picchu. J. en ik vinden allebei dat we dit best kunnen en zo staan we om half vijf 's ochtends kleumend te wachten op een gammele bus die ons, drie andere Engelse mannen -H, C, B-, een Israelisch meisje -J- en onze gids Gonzales (laten we hem Gonzo noemen) naar onze plaats van vertrek zal brengen.

Na het gewoonlijke slappe gelul over seks, drank, en alles wat daarbij hoort, blijken de Engelse mannen toch best mee te vallen. Het Israelische meisje J. klaagt voornamelijk en het liefst over geld. De eerste dag klimmen we naar 3800 meter, waar we in de vrieskou van min tien proberen te slapen. Mijn hoofd ontploft bijna, ik ben nog niet gewend aan de hoogte. Drie Franse mannen, die we de komende vijf dagen constant tegen zullen komen, geven me coca thee -het lokale wondermiddel. De volgende dag langs Salkantay, de nog nooit door iemand beklommen monsterachtige berg, het dal in. De Engelsman C, die later zeer goede vriend zal worden, en ik besluiten de sterren te bekijken op onze rug. Het is een ongelooflijk schouwspel van de hemel van het zuiderlijk halfrond; hoewel, de avond ervoor was het twee keer zo fantastisch, maar veel te koud. Iedere dag lopen we rond de achttien kilometer, worden we gevoed door voornamelijk rijst met vlees en gaan de gesprekken over avocado's, sinterklaas, god, en ons favoriete dier. Op dag twee is er een tien minuten durende regenbui. C., J. en ik schuilen in het hutje van een man die op de berg woont. Binnen is het schraal ingericht, een minuscuul bed, twee smalle bankjes, en een kookstel. Vanuit zijn raam probeert hij aan voorbijgangers chocola en drinken te verkopen. Op het vuur staat een cavia te koken, onder het bed rennen enkele andere avondmaaltjes gezellig rond.

Na weer een nacht in de tent naast het snurkende Israelische meisje, en weer een dag van constant lachen omdat we de Fransen telkens tegenkomen, eindigen we in het dorpje Santa Teresa, waar hot springs zijn. Heerlijk, behalve het feit dat het moment dat ik uit het water stap de minuscule bijtvliegjes mijn benen letterlijk zwart kleuren en met hun venijnige kaken hapjes uit mijn vlees nemen. Dat betekent jeuk voor de rest van de nacht. Gelukkig merk ik daar weinig van, want C. en ik -en daardoor ook de rest- besluiten het feit dat we over de helft zijn te vieren met een pak rode wijn.

Dag vier bestaat voornamelijk uit het volgen van een spoorlijn, het fantaseren over avocado's, en eindelijk maar toch een voor lunch krijgen! 's Avonds slapen we in een hotel, om de volgende morgen om 4 uur op te staan om als eerste bij Machu Picchu te zijn. We rennen meteen door naar de kassa voor Wayna Picchu, de berg die achter Machu Picchu ligt en dagelijks slechts 200 mensen binnen laat. B., een van de Britten, een legerman met droge humor en meterslange benen, is als eerste boven. Ik als zevende, met een bijzonder mooie blauwe plek op mijn been (die twee weken later nog niet weg is) aangezien ik ben uitgegleden bij het naar boven rennen op de smalle trappen langs de berg. Als we dan eindelijk boven staan, in de stilte van de morgen, en neerkijken op Machu Picchu, overvalt ons allemaal een gevoel van complete voldoening; hiervoor hebben we vijf dagen gelopen, rijst gegeten, nog meer gelopen, nog meer rijst gegeten, in de kou geslapen. Het is een onbeschrijflijk gevoel. Gonzo geeft ons een rondleiding en legt ons vanalles uit over de significantie van bepaalde gebouwen, zonnewijzers, en stenen. Zijn accent en onze moeheid leidt tot hilariteit. Natuurlijk komen we de Fransen weer tegen -we besluiten een groepsfoto met ze te maken.

Dan terug naar Cusco, naar Jack's, waar je voor enkele euro's geweldig westers voedsel kan eten, en dan de markt op, waar kleine Peruviaanse mannen op ons af komen gerend met bonnen voor gratis drankjes, die we vervolgens allemaal maar op maken om vroeg in de morgen maar eens licht beschonken terug te keren naar het hostel. De volgende dagen beleef ik allerlei kleine avontuurtjes, zoals een lunch voor een sol (25 cent) in een soort grote gevangenishal, en dan met C, H, B en zijn vriendin J in de bus naar Puno, aan het Titicacameer. We bezoeken drijvende rieteilanden en een oude Engelse boot, en gaan dan door naar Copacabana, aan de Boliviaanse kant van het meer, om op Isla del Sol een geweldige zonsondergang te zien en voor de zoveelste keer 'shithead' te spelen.

In La Paz aangekomen feesten we weer. La Paz is een enge stad, vol cocaine, berovingen, en gemak waardoor je vast blijft plakken terwijl je er eigenlijk niets te zoeken hebt. Daarom besluiten B, J en ik Huayna Potosi, een berg van 6088 meter te beklimmen. C en H gaan verder, en opeens merk ik dat ik een vriendschap ben begonnen met iemand en dat afscheid nemen toch bijzonder vervelend is. Maar reizen blijft reizen, en ik ga liever de berg op dan heel lang de jungle in. Dus bivakmuts passen, ijsbijl uitproberen, en trappelend van verwachting mijn bed in voor het volgende avontuur.

woensdag 24 september 2008

Cavia en de Colca Canyon

Dat er meerdere routes zijn door de Colca Canyon wist ik niet, maar ik besluit gelijk de minst toeristische te nemen. ' Dan moeten we wel nog iemand vinden die dat wil, anders kan ik geen gids voor je regelen', zegt de overvrolijke vrouw van het kleine reisbureau. Als ik om acht uur terugkom om te vragen of het is gelukt vertelt ze me blij dat er inderdaad nog iemand is die met mij dezelfde tocht zal maken. Een man. 'He better be nice', roep ik als ik wegloop. De volgende morgen word ik om half vijf opgehaald door een klein busje gevuld met wandelaars. Een iemand zit alleen -dat moet hem zijn, mijn reisgenoot voor de komende drie dagen. Hij heeft zijn muts over zijn hoofd getrokken en het enige dat ik zie is dat hij zich niet heeft geschoren. 'You are gammie?' hoor ik een Peruviaan aan het vragen. 'No, Jamie', zegt hij, met een licht geirriteerd Brits accent. Ik moet lachen. Bij de eerste stop loop ik naar hem toe en vertel dat ik denk dat we beste vrienden moeten worden, en dat lijkt hem ook een prima plan.

We zien condors vliegen over de diepste canyon van de wereld, eten lunch, en vertrekken dan om vier uur lang bergafwaarts te lopen. Mijn voeten doen zeer. Het stof waait in mijn gezicht, ik heb hoofdpijn van de hoogte, en val een paar keer bijna in de armen van een cactus. Onze gids, een Peruviaans meisje, lijkt een wedstrijd te rennen, en besluit pas na 3 uur dat het tijd is voor een pauze. Maar het is de pijn en de vermoeidheid waard: het enige wat de stilte doorbreekt is het geluid van de rivier die onderin de canyon stroomt. De forellen die vanavond op het menu staan zwemmen daar nu nog onwetend stroomafwaarts.

We slapen in een bamboehut, na gebaad te hebben in een niet zo schoon maar heerlijk warm natuurlijk termaal bad. Na een nacht die magisch is door het aantal sterren, de volle maan, en het geluid van de rivier, worden we gewekt met bananenpannenkoeken en een kop cocathee. Dan de berg op. Ik glibber er bijna af door al het zweet, en leer over de medicinale werking van cactussen. We passeren een dorpje waar 10 families wonen, die alleen Quetchua spreken en waar school noch kerk noch ziekenhuis is, maar waar men gelukkig is met wat men doet en gemiddeld tien jaar langer leeft. Dan weer verder, hijgend, blarend. Als we eindelijk de top bereiken moeten we weer naar beneden, het dal in, naar een grote groene oase die schel afsteekt tegen de droge rode wanden van de rest van de canyon. Om een uur of een komen we daar aan, om de rest van de dag te liggen niksen. Jamie en ik vinden onszelf de allerleukste groep en hoewel de gids bijna geen engels spreekt hebben we toch een geweldige tocht.

De volgende morgen is het half zes als we de westwand van de canyon beklimmen, om vervolgens een lange busreis naar Arequipa te maken, al slapend. 's Avonds eten we cavia en luisteren we naar een protest van een socialistische Boliviaanse groep op het plein. Samen verder reizen? Goed idee! Dus met de nachtbus naar Cuzco.

Deze bus word gerund door Ecotours. Voor 3 euro een 10 uur durende reis maken lijkt ons een goede deal, maar het blijkt de ergste ooit te zijn. Het vriest zelfs in de bus, ijs aan de binnenkant van de ramen, een krijsend kind, een slechte Jean Claude Van Damme film in het Spaans, en het gevoel dat we zo door het raam zullen vliegen als de chauffeur voor de zoveeltse keer bruut op de rem stapt. Gaar stappen we uit in Cuzco, vinden een hostel, boeken een 5 daagse tocht naar Machu Picchu (een van de redenen dat ik hier ben gekomen), en vallen in slaap. Om de volgende morgen weer eens om half vijf te worden opgehaald voor een nieuw, geweldig avontuur.

woensdag 10 september 2008

Lima, Huacachina, en Nasca: because I love things that seem impossible

Het is al donker als het vliegtuig na een lange dag in de lucht op Lima Airport landt. Het eerste wat ik zie zijn vijf Rotterdammers, die de dag daarvoor hun bagage zijn verloren en het nu komen ophalen. Een kleine Peruaanse man staat mij met een naambordje op te wachten. De taxi hangt vol met plaatjes van heiligen, en twee playboy konijntjes kijken schalks naar buiten. De auto´s zijn hier oud en vies, alsof heel New York hun afgedankte bakkies hierheen heeft laten verschepen. In de totale gekte van de stad, gevuld met getoeter, gegil, bedelende kinderen en fluitende mannen, voer ik een gesprek in gebroken Spaans over geld; iets waar ik de komende dagen veel over zal praten. Bij het hostel aangekomen stort ik in, ik ben moe, heb honger en wil het liefste meteen naar bed. In plaats daarvan knal ik de straten door opzoek naar voedsel en eindig mijn maaltijd in een Starbucks: omdat het kan.

De volgende dag breng ik door met mijn Servische kamergenootje Tanja en haar vrienden. Lima word constant bedekt door een grijze wolk. Deprimerend. De sloppenwijken zijn uitgestrekt en gevuld met spelende kinderen, plastic zakken vol snoep, en straathonden. Miraflores, waar ik logeer, is nieuw en gevuld met dure winkels. Vette mannen in pakken vieren hier vakantie. Hun in turquoise geklede wijfjes laten rode lippen achter rietjes in hun Pisco Sour. Ik wil hier weg, want steden als deze zijn niet mijn favoriet. Dus besluiten Tanja en ik samen via Ica naar Nazca te trekken.

Bij Ica ligt de Huacachica woestijn warm te zijn in het oranje zonlicht. Meteen als we het zand in buggieen denk ik aan een schilderij van een kunstenaar die ik eerder deze trip heb ontmoet; het zand vormt zachte vrouwelijke rondingen en de kleur is precies dezelfde die hij heeft gebruikt. Wanneer ik hem dit later vertel laat hij me zien waardoor hij geinspireerd is: inderdaad, de woestijn. We sandboarden tot we er bij neervallen, staan dan op en boarden weer verder. Het is geweldig. Later pikken we vier oude amerikanen op en verwachten dat het nu wel over is met de pret. Integendeel, dit zijn de geweldigste oude mensen ooit. Ze gaan op hun buik op de boards de hoge zandduinen af, gillend en gierend van het lachen. In de buggy willen ze alleen maar harder, handen in de lucht! Nog nooit heb ik zulke ´kwieke´ oudjes ontmoet en Tanja en ik besluiten later ook zo te worden.

Dan met de bus naar Nazca. We komen laat aan en zijn bang, want de straten zijn verlaten op enkele groepjes mannen na. Mensen in het vorige hostel hebben ons de vorige avond de stuipen op het lijf gejaagd met hun verhalen over hun berovingen. Vlak voor het hostel struikel ik, en ga over de kop doordat het gewicht van mijn backpack zich te hoog verplaatst. Tijd om te slapen dus, zonder avondeten, want we willen niet weer de straat op. ´s Nachts droom ik dat Tom Cruise me neerschiet.

´s Morgens worden we gewekt door de jongens van het hostel. Ze hebben een vlucht voor ons geregeld in een minivliegtuigje, om 9 uur. We gaan over de Nasca lijnen vliegen. Dit zijn enorme figuren in de woestijn, waarvan niemand precies weet hoe ze precies zijn ontstaan (wikipedia kan hier meer over vertellen). Voordat ik in het gammele vliegtuigje stap zie ik Rotterdam weer lopen. Vol verbazing kijken we naar de figuren in het zand: een hond, een aapje, en mijn favoriet: een astronaut. Hoe kan dit zijn ontstaan? Het is een van de beste ervaringen tot nu toe. Eentje die me weer diep aan het denken zet. Daar krijgen we dan ook wel de tijd voor; de bussen naar onze volgende bestemming, Arequipa, gaan alleen ´s nachts en in Nasca is weinig te beleven. Daarnaast gaat de zon om 7 uur onder en is op straat zijn geen optie. Dus lezen, kletsen, eten, en drinken we, terwijl de tijd geen haast lijkt te hebben om voorbij te gaan. En dat geeft ook helemaal niets.

zondag 7 september 2008

Dag New York!

De wind giert door de straten en terwijl het Empire State Building zich verschuilt in een grijze wolk vormt zich een snel stromend riviertje die zich binnen een paar tellen door de hele stad heeft verspreid; de plassen reiken kuithoog. Met mijn backpack op de rug en rugzak op mijn buik ren ik door de straten. Doordat ik een uur vertraging heb arriveer ik overal net na sluitingstijd, en omdat ik geen regenjas heb is alles behalve mijn backpack doorweekt. Gelukkig is in ieder geval het postkantoor nog open, zodat ik enkele nutteloze voorwerpen naar huis kan sturen en iets lichter bepakt naar het zuiden kan vertrekken. Dan naar 85, waar ik enkele maanden geleden een oude laptop en een engels grammatica boek achterliet. De laptop kan weg, maar het boek heb ik nodig als ik les ga geven. Ik ben vergeten in welke kamer Nimfa, het oude Ecuadoriaanse vrouwtje die ik met mijn spullen heb toevertrouwt, woont en smeek daarom de hele weg of ze in de hal mag staan. De jongen van de bakker op de hoek lacht om mijn verdronken aanblik terwijl hij een blueberrymuffin voor me inpakt, die ik in twee happen naar binnen schrok; een normale maaltijd heb ik vandaag nog niet gehad en het loopt al tegen zeven uur. Gelukkig staat Nimfa in de hal en is blij met mijn onaangekondigde bezoek. Ze brengt me mijn spullen en het telefoonnummer van haar nicht in Ecuador, en gilt dat ik wel voorzichtig moet zijn als ik het gebouw uitrace, weer de regen in.

De metro heeft ondertussen ook besloten ermee op te houden en als ik uiteindelijk bij de bibliotheek aankom om mijn boek in te leveren blijkt ook deze gesloten. Het zal ook niet. Een straal koud water gutst mijn broek in als ik voorover buk om een paar woorden op te schrijven voor de bewaker in de gang. Maar van 'drop off box' hebben ze hier niet gehoord en ze kan niets voor me doen. Even overweeg ik of ik het boek gewoon aan de deurpost kan hangen, zodat ze hem morgen vinden, maar dat risico is te groot. Ondertussen zijn de voorwerpen in mijn rugzak van hun watervrees af; de handzeep en de muggenspray doen een wedstrijdje rugcrawl terwijl de boeken in hun verdrinkingsnood omkrullen. Het voelt alsof zelfs mijn botten nat worden, en om even tot mezelf te komen loop ik een willekeurig hotel binnen en vraag naar de prijs van een kamer.

Ik zie aan zijn gezicht dat hij geen grapje maakt als hij de prijs noemt en vraag dus maar naar het dichtsbijzijnde internetcafe. 'Gebruik het mijne maar', zegt hij glimlachend. Een spoor van zure regen achterlatend sjomp ik naar de computer, waar ik het adres naar mijn hostel vind en wordt verrast door drie berichten vol liefde, die me heel blij maken. Nu mijn boek nog. Ik schat in dat de aardige man van de receptie me misschien wel weer wil helpen en dat ik er hulpeloos genoeg uitzie om het voor elkaar te krijgen dat hij mijn boek inlevert. Dat klopt, en hij bloost een beetje als ik gil dat ik zo blij zijn dat er aardige mensen bestaan. Weer de regen in, nu met een grote grijns. Ik geef wat geld aan een zwerver want ik heb mijn zoektocht naar een paraplu nu wel opgegeven en ben toch al doorweekt. Vijftien meter verderop kijk ik recht in de ogen van een ongelooflijk knappe neger die me een paraplu aanbiedt. 'Ik heb geen geld!' roep ik terwijl ik doorloop. 'Maar je krijgt hem van me!' gilt hij me na. Ik begin te lachen en vraag of ik hem een knuffel mag geven, ondanks mijn natte toestand. Dat mag, en zo vervolg ik mijn weg naar de Pax iets droger, om daar een salade te halen van mijn laatste dollars. 'Iets te drinken?' 'If only...' 'Wacht,' zegt de cassiere, 'ik haal een glas water voor je'.

Is het mijn doorweektheid die heel New York doet besluiten extra aardig tegen mij te zijn? Ik weet niet wat me overkomt, maar ik geniet van de vriendelijkheid van de mensen. Als een man genaamd Lawrence aandbiedt mij naar het hostel te begeleiden, omdat hij mij de weg hoort vragen, voel ik me helemaal geweldig.

Maar ik kom te laat. 'Het is tien uur geweest. Sorry. Ik kan je niet helpen!'. Kletsnat en koud sta ik te rillen in het gangetje. 'Kun je niet je baas bellen ofzo..', suggereer ik. Dat doet hij. Zijn baas, een man bijna te dik om te lopen, zonder enige expressie op zijn gezicht, checkt iedere kamer om uiteindelijk een voor mij te vinden. Hij omzeilt alle regels zodat ik een dak boven mijn hoofd heb. Eenmaal in mijn kamer neem ik de schade op; enkele tekeningen compleet geruineerd, een belangrijk document onleesbaar en een muffe geur die alle spullen doortrekt. De douche deel ik gezellig met drie kakkerlakjes. Het vuil hangt in korsten van de muren, de kleren die ik afpel lijken meer op dweilen en mijn knieen voelen als verroeste scharnieren. Maar vandaag was een bijzondere dag, ik voel me gillend euphorisch, en als ik schoon en warm in bed stap val ik een diepe slaap vol blije dromen.

vrijdag 5 september 2008

Gaan

En dan is het opeens september, twee dagen voor vertrek naar het nieuwe continent en het nieuwe avontuur. De zon gaat onder in het stinkend hete Montreal en ik speel de helft van de dag Super Mario om de tijd te doden. Ik ben zenuwachtig. Geen Starbucks meer in elke stad, geen bekende taal waaraan ik me kan vastklampen, maar opnieuw het diepe in. Zonder het in de gaten te hebben spin ik een web van stress om mijn uitgezakte lichaam en vraag me af waarom ik toch zo moe ben. Ik weet dat zodra ik in het vliegtuig zit het goed is, want dan ben ik onderweg. Onderweg zijn is het fijnste gevoel dat er is, zwevend door de tijd en nergens zijn. Nog twee nachtjes, nog 38 uur, nog een lange busreis naar New York, nog een telefoontje, nog drie maaltijden.

Het Grote Niets strekt zich oncomfortabel voor me uit. 'Kom maar op!' schreeuw ik, wetend dat de gevechten die ik hier aan zal gaan weer een nieuwe dimensie aan mij zullen bouwen. Ondertussen gaat het leven hier door. Er start een auto. Een man schreeuwt iets onverstaanbaars over straat. Twee vriendinnen giechelen om een jongen. Iedereen leeft. 'Maar jij zweeft' , zegt een kennis. Los voel ik me inderdaad. Klaar met de Verenigde Staten (verliefd op Canada), en open voor een nieuw avontuur. Kom maar op. Kom maar op. KOM MAAR OP!

maandag 1 september 2008

Zwerver

Het is donker in het oude koffiehuis in Burlington. De kleine ruimte wordt opgevuld door een zestal tafels, stoelen, banken en een grote bar. Lampen met kappen van gebutst ijzer verlichten de ruimte een klein beetje. Aan de muur hangen kleurige schilderijen van niets in het bijzonder en op de bar staan verse koekjes. Op een podiumpje in de hoek staat een zanger met zijn gitaar. Er zijn zes anderen in de ruimte aanwezig; drie daarvan zijn zijn vrienden, twee zijn onbekenden en een is de barvrouw.

'I'm sweating like the ocean', zegt hij en ik schiet in de lach, zoals telkens om zijn zelfgebakken engels. Maar dan begint hij te spelen, zo vol overtuiging als ik in een heel lange tijd niet heb gezien. Mensen komen en gaan, blijven even kijken of rennen meteen weer weg. Het lijkt hem niets te doen. Hij speelt niet voor de aandacht, hij speelt omdat hij muziek wil maken. De afgelopen dagen heb ik samen met deze man uit Montreal etend, drinkend en muziekmakend het kleine stadje aan het meer in Vermont verkend. Zonder zorgen, want wat is er om ons zorgen over te maken? We hebben beiden niet veel meer bij ons dan een rugzak en een half plan. Hij trekt door de Verenigde Staten naar de westkust, constant op zoek naar nieuwe mensen om zijn muziek mee te delen. Zonder geld, zonder baan, zonder huur, zonder verplichtingen, zingt hij in een van zijn nummers, is het leven geweldig.

Aan het einde van de avond zijn er zestien mensen, waarvan drie uitbundig dansen. Hij kijkt op en bedankt het publiek. De ventilators aan het plafond verspreiden de geur van verse koffie, en even voel ik mij compleet gelukkig.