maandag 1 december 2008

December in Vilcabamba

De kou trekt langzaam maar zeker door de Noorderlijke hemisfeer terwijl de Andes in het zuiden van Ecuador kampt met de regens die door de opwarming van de aarde worden veroorzaakt. De zon lijkt vandaag niet door de witte lucht te kunnen breken. Het dal, met daarin het kleine dorp, baadt in groenig licht. Een kolibrie beweegt haar vleugels op recordsnelheid terwijl ze met haar smalle snavel het onderste uit de kan probeert te halen. Het is december.

Terwijl ik mijn tanden in een waterige meloen zet luister in naar de Schrijfster en de Acteur. Zij wordt hier gebracht door het verlangen om haar boek nu eindelijk eens af te maken. Hij is op zoek naar echtheid. Hij is de allermooiste man die ik ooit heb gezien. Zij is hilarisch. Beiden Canadees. Het gesprek: wat doen we hier. Het antwoord: we zijn. Hun creativiteit verbaast en inspireert me en ik wil niets liever dan dat dit ontbijt nooit stopt, dat we door kunnen gaan met dit zijn. Ik ben nu al een week in het kleine dorpje Vilcabamba, waar de mensen vaker wel dan niet de honderd passeren, waar regelmatig UFO´s worden opgemerkt en geaccepteerd en waar de medicinale werking van de duizenden bloemen en planten de lucht laat zinderen van volheid. Wandelend en paardrijdend ben ik door de bergen getrokken, om ´s avonds met een white russian in mijn hand mijn Spaans, Duits en Engels te verbeteren. Ik heb alternatief Thanksgiving gevierd met de hippiegemeenschap, chicha gedronken, citroenen zien groeien en uren onder een boom zitten praten. Heb met zelf meegebrachte bananen chifles met guacamole laten maken. Ben middenin de nacht bij een nieuwe vriendin in bed gekropen. Heb een monster met duizend poten bekeken en om zijn sprongen gelachen.

Ik weet wel dat ik binnenkort naar Los Angeles moet vliegen maar dat zet me niet aan tot een laatste keer door een land knallen. Integendeel, ik wil hier zijn. En dus boek ik nog een nacht, terwijl Mateo van de receptie zijn hoge lachje lacht en zegt dat hij al lang wist dat ik nooit weg zou gaan. Buiten ruikt het naar leven. De Schrijfster beweegt haar van artritis roestige botten in het zwembad, ik lig op bed grappen te maken, en de Acteur hangt aan een balk in de kamer het interieur op te leuken.

Later, achterin een pick up de heuvel af naar het dorp, dag Acteur, hallo Sieradenman. Natuurlijk wil ik even met je praten. Dorpsleven op zijn mooist. Dus ik blijf nog even.

zondag 23 november 2008

Dieven en een smokkelaar

Luid blaffend stormt de zwarte labrador op me af. Ik zie hem pas op het laatste moment aankomen, probeer hem te ontwijken, maar het is te laat. Hij heeft me te pakken. Nou ja, mijn rugtas dan. ´Komt u maar even mee´, zegt het Uniform. Ik kom wel even mee. Half wakker sta ik tien seconden later een beetje dom te grinniken, omringd door enkele andere Officieel Geklede Mannen, die meer aandacht hebben voor mijn vrouwelijke rondingen dan voor de inhoud van de inmiddels omgekeerde tas. ´Que lindo, que bonito´, kreunt er eentje onder zijn niet zo smakelijk geurende adem. Ik besluit tijdelijk doof te zijn en kijk smekend naar het Uniform, die onverstoorbaar mijn boeken, toiletspullen, camera, krokodil en anti-diarree door de hond laat besnuffelen, om het daarna achteloos over de tafel en grond te verdelen. Achter mij is de bus inmiddels weer helemaal vol. Het is drie uur ´s nachts en ik sta midden in de Andes op de grens tussen Argentinië en Chili te bibberen onder de volle maan. ´Heeft u fruit bij u´, vraagt het Uniform. Nee. ´Weet u dit zeker?´Vrijwel. Nu de slaapzak - wat natuurlijk de ultieme verstopplaats voor illegaal fruit is, dat begrijpt u. De hond kwijlt er wat in weg maar vindt niets. ´Mevrouw, u heeft echt geen fruit?´ wordt mij nogmaals gevraagd. Nee, maar wel 5 gram coke, 3 joints en wat crack, antwoord ik in mijn hoofd. Veel minder belangrijk dan fruit. Na mijn spullen weer bij elkaar te hebben gezocht loop ik weg, maar wordt op de voet gevolgd door de zwarte labrador. Weer de tas open. Uiteindelijk gaat er bij mij een lichtje branden. ´Is het misschien dit?´ vraag ik, terwijl ik mijn zak met vier dagen oud brood en honing omhoog houd. De honing is gaan lekken en is nu een heerlijk voedzame mix geworden met mijn aanstaande ontbijt. ´AAaaaaaaaaaaaah´, zegt het Uniform, belangrijk knikkend naar de Andere Officieel Geklede Mannen, die met moeite hun blik van mijn achterse losscheuren en instemmend terugknikken. ´AAaaaaah. Is not allowed. No!´ Dat had ik natuurlijk moeten weten. Ik zet mijn onschuldigste blik op. Ik wilde echt geen honing smokkelen, ik beloof het! Ze laten me gaan. Zonder ontbijt.

Santiago interesseert me een dag en dan vertrek ik naar het prachtige Valparaiso, dat niet voor niets op de Unesco werelderfgoed lijst staat. De kleurige, op heuvels gebouwde stad ligt aan een baai en ik zie eindelijk na maanden de zee weer. Vanaf het moment dat ik langs het strand loop voel ik me weer rustig en gelukkig en besluit enkele dagen te schrijven en na te denken op deze fantastische plek.

Op een middag schuifel ik in mijn eentje door de straten van de op een heuvel gebouwde wijk Cerro Concepción en besluit dat dit toch wel een perfecte plek zou zijn om beroofd te worden. Eerder die week werd ik al door twee Enge Mannen gevolgd wat door twee anderen (mijn achttienjarige kennis uit Mexico en de ontzettend gezellige homo van het hostel) werd opgemerkt, die me vervolgens kwamen redden. Ik was mij echter van geen gevaar bewust en baalde stiekem van het feit dat ik nu nog steeds geen stoer berovingsverhaal had, zoals het Franse meisje uit het hostel die op diezelfde dag wél haar tas van haar rug gesleurd voelde worden. Ik wacht al twee en een halve maand op mijn dief, maar die wil maar niet op komen dagen. Niet dat ik nou zo graag mijn spullen kwijt wil, maar ik wil graag van het gevoel dat telkens ´de volgende keer is het jouw beurt´ zegt, af.

Terug naar de smalle straatjes, waar ik telkens weer mijn camera tevoorschijn haal om de muurschilderingen of kleuren van de huizen vast te leggen in de namiddagzon. Ik kom af en toe iemand tegen, maar het is grotendeels een uitgestorven onoverzichtelijk stratenstelsel waar ik vrolijk in verdwaal. Een perfecte plaats om mijn spullen te verliezen, lijkt mij. Dus neem ik de nodige voorzorgsmaatregelen -mijn dagboek en cd met foto´s in mijn hand, mijn camera binnenin mijn tas aan mijn pink, zodat als iemand eraan trekt ze alleen mijn Lonely Planet en lege portemonnee te pakken hebben. Geld in mijn favoriete beurs, de BH. Achter me hoor ik voetstappen. Is het niet vreselijk dom om hier alleen te lopen? Wat als ze wapens hebben? Ze komen dichterbij. Ik voel de neiging om te gaan rennen, maar doe het niet. De voetstappen versnellen. Mijn hartslag ook. Ik weet dat De Dief nu vlak achter me is en draai me in een flits om... Twee touristen maken een foto van een hek. Twee katten spelen op een richel. Waar is De Dief nou? Er is geen spoor van hem te bekennen. Opgelucht, en licht teleurgesteld, vervolg ik mijn weg langs de muurschilderingen. Het is dag 161 en ik ben al weer niet beroofd.

donderdag 13 november 2008

Alleen

Het is klam en zweterig onder het dunne laken waaronder ik wakker word. Het is mijn eerste nacht weer alleen en ik ben meteen weer geplaagd door zware dromen. Ik moet eruit, want mijn tas die ik voor het gemak in een grote puinhoop heb veranderd, moet ingepakt. Vanavond met de bus naar Mendoza, weer naar het westen, het binnenland in. Mijn vrienden zijn een dag eerder vertrokken en de stilte van hun afwezigheid is ongenadig. Niemand om mee te praten. Niemand om vast te houden.

Ik ben zo dom geweest mij weer over te geven aan mijn gevoel en net te doen of dit nooit zou gebeuren. Ik wist dat ik alleen achter zou blijven, dat zij naar Brazilie en vervolgens terug naar Engeland moesten. Maar als je wilt kun je dat best een tijd negeren. Het was alsof ik iemand anders aankeek toen ik mij naar de badkamer had gesleept en een grauwe reflectie in de spiegel zag. Ik vreet mezelf weer op omdat ik niet wil voelen wat ik voel, niet van iemand wil houden, echt niet.

Als ik mijn moneybelt open vind ik een klein kaartje waarop een hartje is getekend, met daaronder de woorden 'onverwacht hart'. Maandenlang heb ik foto's gemaakt van alle onverwachte hartvormen die ik tegenkwam, maar dit is de beste die ik tot nu toe heb gevonden.

Ik dwaal doelloos in de stad en zie de vrouwen van de Plaza de Mayo hun wekelijkse herinneringsmars lopen, waarin de verdwenen verzetsstrijders worden herdacht. Verdwijningen waren orde van de dag in de Dirty War. De strijders werden opgepakt, de kinderen bij hun oma's achtergelaten of als adoptiekinderen verscheept naar andere landen. Deze oma's, die nooit meer een spoor van hun zonen en dochters zouden vinden, liepen elke dag een stil protest over de Plaza. De in verdwenen generatie, waarschijnlijk in zee gedumpt of verbrand, wordt vandaag nog steeds herdacht en de vrouwen van de Plaza de Mayo zijn een begrip geworden.

De stad is heet en lawaaierig. De zwerfkinderen bedelen met een verveelde uitdrukking op hun smerige gezichtjes. In de tram loopt een klein meisje dat niet ouder kan zijn dan 4 verdwaasd rond. Een hoopje jongens ligt te snurken. Eentje vindt een groot stuk aangevreten kip in het vuilnis -een goede dag. Ik weet dat ik geluk heb, dat ik rijk ben, dat er niets te klagen valt, behalve een grote lege plek in twee harten. Maar zelfs dat gaat over. Heb ik gehoord.

woensdag 5 november 2008

Steden

Het is maandagmiddag, half een, en ik sta in een opgepropte metro mij te verrukken over het feit dat het hier net zo ruikt als in de metro in New York. Naar metaal, zweet, roet, afval en vaag schoonmaakmiddel dus. Op straat lopen mensen in alle kleuren en maten langs mij heen, zonder dat mijn verschijning hun overdenkingen onderbreekt. Een ambulance komt gierend van angst langs terwijl ik voor de derde maal de Avenue de 9 julio -een van de breedste straten van de wereld- probeer over te steken. Een bedelaar trekt aan mijn arm, een jonge man duwt een flyer voor een botoxbehandeling in mijn handen. De zon schijnt vrolijk maar de mensen rennen rond om hun ongetwijfeld ontzettend belangrijke zaken te regelen. Ik word niet gezien. Ik voel mij thuis.

De eenzaamheid die samengaat met het rondwandelen in een onbekende stad, met verrassende pleinen, parken, musea, begraafplaatsen, en een geschiedenis die mijn maag doet omkeren, is verslavend. Het is heerlijk om niet gekend te worden, om nergens te zijn, om genegeerd te worden, om je te voelen krimpen, zodra je je realiseert dat al bovenstaande dingen niet nodig zijn voor geluk. Deze stad is van mij. Ik vind het verfrissend om opeens weer na te denken over dingen kopen, dingen die ik opeens weer nodig heb, zoals nieuwe kleren, en make up, en misschien een geurtje? De invloed van deze omgeving is vreselijk sterk en ik moet hard om lachen, want hoe graag ik het ook wil, ik kan de charmes en verleidingen van advertenties, etalages, en andere mensen niet weerstaan, tenzij ik weer vlucht naar een plaats waar dit niet bestaat, zoals slechts enkele dagen geleden, in Paraguay.

Na enkele dagen ´vast´ te hebben gezeten in de woestijn in Chili -bussen over de grens gaan maar twee keer in de week, en de eerstvolgende was vol-, en een verrassend slechte biefstuk te hebben gegeten in Salta, Argentinie, vertrek ik naar Asuncion, de hoofdstad van Paraguay. Want hoewel je geen reiziger zult vinden die vrijwillig de hoofdstad van de knokkelkoorts bezoekt, was ik wel benieuwd hoe dit land er uit zou zien. Ik zie ontzettend veel dingen, zoals een mooi plein met omgewaaide bomen, het ministerie van defensie en een man die op klaarlichte dag tegen een niet zo vreselijk lelijk standbeeld staat te plassen. Ciudad del Este is nog veel geweldiger. Het afval ligt lekker te rotten op elke straathoek, nee, zelfs in het midden van de weg, en in de goot. Half verroeste honden met enkele missende ledematen spelen vrolijk pakkertje. Hele families kamperen op een grasveld naast het busstation, waar de kampvuren ´s avonds gezellig knetteren en kinderen in de modder of het afval wroeten. Zij hoeven lekker nooit naar school. Ik wou dat ik hier woonde.

Buenos Aires voelt dus meteen als een thuis en ik besluit dat ik hier lekker lang ga blijven, en lekker alles ga doen waar ik zin in heb, wat ervoor zorgt dat ik op dag twee de hele dag thuis zit met een ongekende kater, enkele slechte dvd´s en een halfslachtige poging om de verkiezingen te kijken, waarbij ik tot 5 keer toe in slaap val waarna ik besluit de vier trappen naar bed op te strompelen. Ik wou dat ik al het water van de Iguazu watervallen kon drinken, zodat ik me misschien wat beter zou voelen. In plaats daarvan vecht ik tegen mijn staat van ontbinding met slaap, koffie en een huilbui en na dat alles een ontdekkingsreis door de Argentijnse hoofdstad. En voel me gillend gelukkig.

zondag 26 oktober 2008

Wild Wild West deel 2

Die nacht kijk ik vol verwondering naar de hemel, waar duizenden sterren verstoppertje spelen met de wolken. En als er een ster valt mag je een wens doen als je hem ziet, ik heb echter weinig te wensen dus heb er een paar te koop.

De volgende morgen wekt B. mij met in zijn woorden goed en slecht nieuws. Goed, omdat we vanaf ons eindpunt, San Pedro de Atacama in Chili, met een bus naar Salta in Argentinie kunnen komen. Slecht, omdat het ontbijt dat op tafel staat bestaat uit brood, dulce de leche, en jam. Het brood is droog en smakeloos, en zeker niet vullend. Na dit geweldige maal weer de auto in, de vulkaan die achter ons de hele nacht de wacht heeft gehouden op. Er word om een onverwachte entreeprijs gevraagd, die we weigeren te betalen en die de gids dus moet neertellen. Halverwege stappen we uit om -zo denken we- naar de krater te lopen. Eerst komen we terecht in een grot met mummies, en een kolibrienest. En dan omhoog, omhoog, omhoog, totdat de gids zegt dat het nu wel tijd is om om te keren. Nog geen spoor van een krater of iets wat daarop lijkt. Nee, zegt hij, als we die hadden willen zien hadden we om 5 uur op moeten staan. Waarom hij ons dan niet om die tijd heeft gewekt is ons een raadsel, maar we lopen gedwee naar beneden, waar de lunch word geserveerd.

Na het eten rijden we weer de verblindend witte woestijn in, waarin eilanden lijken te drijven. Een van deze eilanden is het viseiland, bestaande uit koraal en honderden enorme cactussen, die als oude mannetjes uitkijken over de zoutvelden. In een grot staat een bordje met ´no baño´, oftewel geen toilet, alsof grotten normaliter beschouwd worden als wc´s...

De gids zet ons een kilometer van het eiland af om weer een serie briljante foto´s op het zout te maken, met de belofte dat hij ons na een uur zal ophalen. Anderhalf uur later staan we nog steeds in de brandende zon en besluiten naar de auto te lopen. Hij zegt de tijd te zijn vergeten en scheurt dan met ongekende snelheid naar ons volgende hostel. Als we uit de auto rollen ruiken we een sterke alcoholgeur en zijn blij nog steeds in leven te zijn om in ieder geval dit compleet uit zout gefabriceerde gebouw te kunnen bekijken. Zelfs de bedden zijn van zout. Hoewel iedereen nog misselijk is van de laatste rit vraagt de gids of we nog naar de andere grotten willen (ook geen wc´s), en na zijn beloftes om langzaam te rijden besluiten we het toch maar te doen.
Ik houd niet zo van grotten. Deze zijn gevuld met druipstenen gemaakt van schelpachtig spul, die zijn ontstaan toen het zeeniveau daalde en het water opdroogde. Interessant, mag ik er nu weer uit?

Tijdens het eten, dat nauwelijks genoeg is voor twee personen -dus laat staan voor zes- wordt iedereen chagrijnig en de grap of iemand de zout kan doorgeven wordt ook wat saai. Mijn zoutbed slaapt fantastisch.

Na een werkende vulkaan en een klein meer met flamingo´s dringt de geur van zwavel onbeschoft mijn neus binnen, terwijl ik luister naar het krassende, schattige geluid van enkele flamingo´s die ongetwijfeld communiceren over de kwaliteit van de vis. Dan een boomsteen, nog een meer, en een ijskoud hostel gevuld met, jawel, een grote groep Nederlanders die zich druk maken over hun fohn, en dingen roepen als ´toch lekker he´ en ´gossiemeine, toch wel koud hiero´. Ze had gelijk, het was koud, en de fles wijn en het kaartspel laat ons maar heel even het gebrek aan voedsel vergeten.

Als ik de volgende morgen mijn bevroren hand in opspuitende damp van een geiser steek en door de opkomende zon slechts de figuren van mijn vrienden in het tegenlicht zich over het veld vol opspuitend damp zie bewegen is mijn moeheid in een klap verdwenen. Ik heb nog nooit een zonsopgang gezien zo indrukwekkend als deze. De kokende modder blubbert wat en mijn schoenen bedekken zich met een dikke laag zwavel. Enkele kilometers verderop kookt het water van het thermaalbad al enkele uren, en met bevroren voeten stap ik het hete water in, waarin ik natuurlijk al snel word vergezeld door, jawel, de helft van de groep Nederlanders (degenen die wel tegen de kou konden). Heerlijk. Een Leidse student, W., hilarisch, zonnig, met humor en vol complimenten, laat me een beetje blozen door maar te blijven benadrukken hoe geweldig hij vindt dat ik ben en verandert mijn mening over de Nederlandse bevolking weer wat. Later zitten we in dezelfde bus die ons na een uur wachten naast een prachtige vos, waar ik nog vijf minuten aan toevoeg door mijn ticket te verliezen, naar San Pedro de Atacama in Chili brengt. We luisteren naar Harry Jekkers´ ´Parnerjacht´ en lachen naar elkaar om de waarheid van dit lied. Het zwarte asfalt vliegt onder ons door, er zijn vangrails en op een bord staat aangegeven hoeveel kilometer het nog is. Alsof we na een maand weer terug zijn in de bewoonde wereld.

woensdag 22 oktober 2008

Wild Wild West, deel 1

Terwijl ik wachtend op mijn gigantische pizza een kaartspel speel hoor ik vertrouwde klanken om mij heen; een enorme groep Nederlanders heeft besloten in het zelfde restaurant te gaan eten. Geweldig. Het is lang geleden dat ik dit lege gekeuvel heb gehoord, en geen minuut heb ik het gemist. Foute grappen, slecht Engels, onbeschofte woorden, kortom, een goed stel doorsnee Nederlanders die hier ook op reis zijn, georganiseerd, begrijpt u. Lekker makkelijk, hoef je niets te doen. Als ik struikel en voor de zoveelste keer keihard mijn beurse teen stoot gieren ze het uit. Het is goed dat ik met Engelsen ben, zodat ik in ieder geval niet herkend word als een van de kudde.

De pizza is deze frustratie meer dan waard, en hoewel we het nog niet weten is dit het laatste goede maal dat we zullen hebben in vier dagen. De volgende morgen staan we om half elf voor het reisbureau, waar net een schreeuwende Pool uit de auto word gezet, hij mag niet mee omdat hij zo zit te klagen -de auto was 40 minuten te laat, en dat kan natuurlijk niet, vond hij. Dit resulteert verrassend genoeg in nog meer klagen, waardoor onze four wheel drive ook pas anderhalf uur later vertrekt. Allereerst naar een zogenaamde treinenbegraafplaats. Oude wagons uit Engeland staan al niksend te roesten in de woestijn. Een eenzame spoorlijn trekt de verte in. Ik houd van verlaten plaatsen en vermaak me klauterend over de locomotieven. Als ik terug loop naar de auto zie ik een motor staan en terwijl ik er bewonderend omheen loop hoor ik iemand vragen of ik mee ga. ' Waarheen?' vraag ik. Geen idee, zegt de kleine man die de sleutels blijkt te bezitten van dit geweldige vervoersmiddel. We praten wat en hij blijkt uit Turkije te komen, in de Verenigde Staten te wonen en per motor helemaal door midden Amerika hierheen te zijn getrokken. Mijn mond valt open, niet zozeer van verbazing als van jaloezie. 'Kun je me naar Uyuni brengen?' vraag ik. Natuurlijk!

Dus klim ik achterop de motor van iemand die ik een minuut ken en laat de rest van mijn vrienden achter in de auto. Het is heerlijk, het zijn vijf ontzettend inspirerende minuten want het gesprek dat wij voeren gaat niet over koetjes en kalfjes. Als ik af moet stappen baal ik als een stekker en denk er even over om mijn tas van de auto te halen en op zijn aanbod om met hem te reizen in te gaan. Maar als ik naar het gezicht van vriend C. kijk zeg ik nee, en stap in de auto, die te klein is voor onze lange benen, en scheur naar de zoutvelden.

De zoutvelden zijn verblindend wit en doodstil. Er is niets te zien. Door het gebrek aan horizon en de witte ondergrond is het makkelijk om hilarische fotos te maken (bewijs is onderweg), en na ons enkele uren al verbrandend te vermaken rijden we naar een prachtige rode vulkaan. De zonsondergang is de beste die ik ooit heb gezien. Een stelletje roze flamingos pikt ongestoord in het meertje op zoek naar vis.

woensdag 15 oktober 2008

Zweven

De zon schijnt enthousiast neer op Potosi, de hoogste stad van de wereld, en verlicht haar smalle straatjes, dikke vrouwtjes met gevlochten zwarte haren en gekleurde doeken, maar ik merk er niets van want ik lig te slapen. Het is twee uur ´s middags, en ik ben moe. Twee nachtbussen hebben hun tol geeist en ik heb besloten geen bezoek te brengen aan de mijnen, maar in plaats daarvan een dag helemaal alleen lekker alles te doen waar ik zin in heb.

Twee dagen eerder zat ik nog middenin de jungle, in Rurre, een dorpje dat op twee manieren te bereiken is: per vliegtuig, voor zo´n 60 dollar, drie kwartier vliegen, of per bus, voor 5 euro, 18 uur over een weg die nauwelijks breder is dan het voertuig, vol hobbels en gaten, langs een dal dat honderd meter diep is.

Met de bus dus, logisch.

In Rurre vinden we onze twee engelse vrienden, C. en H., die net terug komen van de pampas en het ons ten zeerste aanraden. Boeken dus, een dagje dreadlocks maken, en dan vanuit Rurre verder met een jeep, die mij en vijf anderen naar een boot bracht die ons drie dagen lang over de rivier zou vervoeren. De eerste tien alligators doen iedereen naar de camera´s grijpen. Capibara´s, een soort gigantische cavia´s ter grootte van kalfjes, kijken verstoord om zich heen als zij het brommen van de motor horen naderen. We vinden enkele anaconda´s, en zwemmen met de homoiconen van de dierenwereld, de roze dolfijnen. Daarnaast hebben we een competitie synchroonhangmatzwaaien, en ik weet zeker dat ik zeer hoog zal scoren zodra dit een onderdeel word van de Olympische Spelen. De geluiden van de nacht zijn onbeschrijflijk luid. Ik verdenk Tiesto ervan een van zijn rifs te hebben gepikt van een van de vogels. Aapjes klimmen over de hutten waarin we slapen.

Op de laatste dag gaan we piraña vissen, en na tientallen keren mijn hengel leeggegeten opgehaald te hebben vang ik er eindelijk een, die ik zo hard naar binnen slinger dat hij hopla aan de andere kant van de boot weer in het water terecht komt.
Later weet ik mijn armen beter in bedwang te houden en landt er eindelijk eentje in de boot; B. heeft ondertussen al 10 gevangen en ik besluit dat ik het maar opgeef voor vandaag. Mijn vingers stinken naar het rauwe vlees dat ik telkens aan het haakje pruts, en ik ben bang dat de half levende vissen in mijn voeten zullen bijten. Want ja, ze hebben echte tanden. Hoewel er weinig vlees aan zit smaken ze heerlijk, biologische vis, wat wil je nog meer?

Nu dus, na urenlange busreizen naar het zuiden overleefd te hebben, in Potosi, uit bed dan maar, om wat te gaan ´wanderen´. Onbestede dagen als deze zijn mijn favoriet; ik kan mijzelf urenlang al schrijvend, tekenend en denkend vermaken, terwijl ik in gebroken Spaans halve gesprekken voer met de lokale bevolking nadat ik expres verdwaald ben om ook de andere kant van de stad te zien. En als ik de door tl-licht verlichte restaurantjes met lunch (soep, rijst, thee) voor een halve euro zat ben vlucht ik naar een warm café genaamd La Plata, gevuld met gringos en houten meubilair die een familiare sfeer creeeren waarnaar ik soms, thuisloos als ik ben, zo verlang. Het ruikt lekker naar koffie en ik baad rond in een heerlijke vorm van alleen zijn. Het leven is beter dan ooit: ongebondenheid en ongedwongenheid spinnen een veilig web. Zelfs mijn hoofd word lichter en leger, los van die oneindige druk van verwachtingen.

De tafel waaraan ik zit is beschilderd met lelijke witte tulpen, de chocolademelk is dik en heerlijk bitter. Op de achtergrond slechts wat westerse muziek en het gemompel van reizigers die hun komende week over de Lonely Planet discussieren. Ik zweef.