De kamer is groot en licht. Ramen kijken uit over de stad die onder mij uitgestrekt ligt. Een blauwe lucht, prachtige wolken. Het bed is breed en verstelbaar. Een keurig geklede dame komt naar me toe om te vragen of alles naar wens is. Ik keer mijn hoofd om en zeg dat het zulk prachtig weer lijkt te zijn vandaag. Ze glimlacht en zegt dat ze later, als ik van bed ben, terug zal komen om het even opnieuw op te maken. Als ze is vertrokken komt de roomservice langs met koffie en thee. Heerlijk blijf ik nog even liggen en terwijl ik langs de zenders op de kabeltelevisie zap realiseer ik me hoe zeer ik heb gebofd met een kamer op zo'n lokatie, met zulke service, en dat gratis!
Het enige probleem is dat ik er niet uit mag, sterker nog, kan. Ik ben stuk. Mijn hand is vernuftig vastgemaakt aan een apparaatje dat weer vastzit in het stopcontact en een grote zilverkleurige kapstok. Via dit apparaatje worden mij constant een flinke dosis vocht en Geheim Medicijn toegediend. Dit Geheime Medicijn zorgt ervoor dat ik dag en nacht uren en uren aan het slapen ben en alle gevoel voor tijd kwijtraak. In mijn buik zijn drie gaten gecreeerd die mij immobiel maken en waardoor Onbekende Mannen met een camera binnen vijf dagen twee keer de binnenkant van mijn lichaam hebben bekeken. Ik wist nooit dat mijn buik zo belangrijk was bij staan en lopen tot ik het niet meer kon. Elke dag komen Vrouwen in Witte Pakken 20 buisjes bloed afnemen, waarna ik naar verschillende kamertjes met Apparaten wordt gereden. Foto's, films, echo's, dansjes...
Tegenover me ligt een Lief Meisje van eind twintig. Ze werd wakker met een borst minder. Daarnaast een Gezellige Dame. Zij zal haar voet waarschijnlijk nooit meer goed kunnen gebruiken omdat er tijdens de operatie onverwacht een zenuw moest worden doorgesneden. Een vrouw met een tumor op haar slokdarm komt een paar dagen logeren en gaat weg met een vijf centimeter grote snee op haar keel. Een man met verkeerde cellen in een moedervlek op zijn arm. Nog een vrouw met een knobbel in haar borst. Sommige dingen bieden erg veel perspectief. De mensen komen en gaan, behalve de Gezellige Dame en ik. Tien lange dagen in een heel klein wereldje, waar een onderzoek een uitje is omdat je dan in je bed van de afdeling af mag.
'U heeft een prachtige dag uitgekozen.' Het is vrijdag de dertiende en zuster Anneke -zeker 30% van mijn zusters heet Anneke- helpt mij met opstaan. Mijn hand is losgemaakt van Het Apparaat. Ik mag dan toch naar huis, dat wil zeggen, het huis van mijn ouders waar ik vier weekjes zou zijn, als verrassing. Vier weken is veranderd in acht, de vlucht terug naar Canada is zonder mij vertrokken en de verzekering heeft besloten deze niet te vergoeden. Ik loop met de snelheid van een oudje, vergeet dingen na enkele minuten en slaap, slaap, slaap.
Gelukkig is er ook het gloednieuwe familielid L. Met hem kan ik praten. Niet lopen en veel slapen schept toch een band. Daarom komt hij elke dag even logeren, of ik ga naar hem toe. Dan ligt hij uren in mijn armen en kijkt me met zijn grote blauwe ogen aan. Op die momenten bestaat er geen tijd, of ruimte, of reis. En als ik zijn blonde haartjes in een hanekam modelleer, terwijl hij me ondertussen vol overgave onderspuugt, ach, dan valt het best mee nog een paar weken heel dicht bij hem te zijn voordat ik weer vertrek naar verre landen, waar ik niets te zoeken heb maar alles zal vinden.
dinsdag 24 februari 2009
zaterdag 17 januari 2009
Koud
Onder een blauwe lucht ziet de sneeuw er best aanlokkelijk uit. Het is tien uur en de dag is nog niet zo lang begonnen. De zon kijkt vrolijk over de de daken uit en ik besluit dat het tijd is om in de kou te gaan spelen. Met een geleende lange onderbroek, geleende wollen sokken en geleende handschoenen onder al mijn andere kleding, en een muts op, vind ik dat het wel kan. Het is -33, gevoelstemperatuur -42.
Het is niet de eerste keer dat ik naar buiten ga. Ik ben al vijf dagen in deze kleine stad naast Lake Superior met de briljante naam Thunder Bay en heb al meerdere malen ver gelopen (a. omdat ik geen geld heb voor de bus en b. omdat lopen zelfs in de diepe minnen best meevalt). Mijn net nieuwe computer besloot er na een week mee op te houden, nummer twee bleek het vanaf het begin niet te doen, en dus waren enkele tochten naar de Future Store vereist, waar iedereen die een toekomst denkt te hebben zijn/haar elektronica tweetalig kan vinden.
Het is echter tot nu toe nog niet zo koud geweest. Ik ben alleen thuis, mijn vrienden zitten in de warme universiteit en de onderbuurjongen slaapt. En dus de deur uit, naar het park. In een ver, warm verleden leek dit me een geweldig plan. Na anderhalve minuut voel ik dat de binnenkant van mijn neus bevroren is. Ik heb geen gevoel meer in mijn wangen en stamp driftig op de grond om het prikken van mijn voeten op te laten houden. Maar omdraaien is geen optie, voornamelijk omdat ik eindelijk na een half uur prutsen heb uitgevonden hoe ik de deur op slot krijg en al dat werk niet voor niets wil hebben gedaan. Ruim een kwartier later ben ik in het besneeuwde park. Iets dat lijkt op een halve schommel steekt boven de meterhoge sneeuw uit. Een wipwap is blijven steken op wip. Een ijsrandje heeft zich krakend op mijn wenkbrauwen gevormt. In de verte zie ik een grote bel en besluit me daar een weg naartoe te graven. Twee opties, het pad, of natuurlijk midden door de sneeuw. Drie meter verderop besluit de waterresistentie van mijn schoenen het op te geven. Mijn spijkerbroek is nat. Ik graaf, ik klim, ik zak tot aan mijn kruis en vraag me af wanneer en waar ik mijn verstand heb verloren. Maar uiteindelijk kom ik bij de bel aan.
Die bel. Prachtig. Mooiste bel die ik ooit heb aanschouwd. Zo prachtig klokvormig. Zo zonder pretenties, en zonder klepel. Het zwart reflecteerd tegen de zachte witte sneeuw. Dat ik me hier toch helemaal naartoe heb gegraven was het werk waard. Of misschien probeer ik mezelf dat wijs te maken. Terwijl ik me afvraag of ik het ooit weer warm zal hebben realiseer ik me waar ik naar kijk. Lake Superior ligt als een zee achter de gezellig rokende schoorstenen. Een schip baant zich een weg door de ijsrotsen. De grote reus ligt te slapen. Even rijst de temperatuur enkele graden. Dan draai ik me om en glijd met nieuwe moed (die een halve seconde duurt) weer naar beneden, knal zonder gevoel in mijn tenen huiswaards en kom erachter dat de heenweg ook beschreven kan worden als de Hele Lange Omweg. Binnen vijf minuten zit ik in mijn pyama op de bank, met thee en een muffin.
Het is niet de eerste keer dat ik naar buiten ga. Ik ben al vijf dagen in deze kleine stad naast Lake Superior met de briljante naam Thunder Bay en heb al meerdere malen ver gelopen (a. omdat ik geen geld heb voor de bus en b. omdat lopen zelfs in de diepe minnen best meevalt). Mijn net nieuwe computer besloot er na een week mee op te houden, nummer twee bleek het vanaf het begin niet te doen, en dus waren enkele tochten naar de Future Store vereist, waar iedereen die een toekomst denkt te hebben zijn/haar elektronica tweetalig kan vinden.
Het is echter tot nu toe nog niet zo koud geweest. Ik ben alleen thuis, mijn vrienden zitten in de warme universiteit en de onderbuurjongen slaapt. En dus de deur uit, naar het park. In een ver, warm verleden leek dit me een geweldig plan. Na anderhalve minuut voel ik dat de binnenkant van mijn neus bevroren is. Ik heb geen gevoel meer in mijn wangen en stamp driftig op de grond om het prikken van mijn voeten op te laten houden. Maar omdraaien is geen optie, voornamelijk omdat ik eindelijk na een half uur prutsen heb uitgevonden hoe ik de deur op slot krijg en al dat werk niet voor niets wil hebben gedaan. Ruim een kwartier later ben ik in het besneeuwde park. Iets dat lijkt op een halve schommel steekt boven de meterhoge sneeuw uit. Een wipwap is blijven steken op wip. Een ijsrandje heeft zich krakend op mijn wenkbrauwen gevormt. In de verte zie ik een grote bel en besluit me daar een weg naartoe te graven. Twee opties, het pad, of natuurlijk midden door de sneeuw. Drie meter verderop besluit de waterresistentie van mijn schoenen het op te geven. Mijn spijkerbroek is nat. Ik graaf, ik klim, ik zak tot aan mijn kruis en vraag me af wanneer en waar ik mijn verstand heb verloren. Maar uiteindelijk kom ik bij de bel aan.
Die bel. Prachtig. Mooiste bel die ik ooit heb aanschouwd. Zo prachtig klokvormig. Zo zonder pretenties, en zonder klepel. Het zwart reflecteerd tegen de zachte witte sneeuw. Dat ik me hier toch helemaal naartoe heb gegraven was het werk waard. Of misschien probeer ik mezelf dat wijs te maken. Terwijl ik me afvraag of ik het ooit weer warm zal hebben realiseer ik me waar ik naar kijk. Lake Superior ligt als een zee achter de gezellig rokende schoorstenen. Een schip baant zich een weg door de ijsrotsen. De grote reus ligt te slapen. Even rijst de temperatuur enkele graden. Dan draai ik me om en glijd met nieuwe moed (die een halve seconde duurt) weer naar beneden, knal zonder gevoel in mijn tenen huiswaards en kom erachter dat de heenweg ook beschreven kan worden als de Hele Lange Omweg. Binnen vijf minuten zit ik in mijn pyama op de bank, met thee en een muffin.
zondag 11 januari 2009
Uncle Ji's 'horny tea'
Bergen en meren trekken geluidloos onder mij voorbij. Sneeuw en zand, rivieren en rotsen, als een langzame film die alle aspecten van de natuur even aandoet. Ik hang als een kleine toeschouwer in een papieren vliegtuigje boven de wereld die draait en luister naar Franse chansons terwijl ik de gebeurtenissen van de afgelopen weken in mijn hoofd afspeel.
Het was alsof ik thuis kwam na een lange reis.
De grond van de woonkamer is bezaaid met ballen in allerlei maten en gewichten om mee te leren jongleren. Aan de muur boven mijn bed –de bank- hangt een lelijk schilderij. Mijn tas staat in een hoek. Z. en ik zitten op de grond en eten kinua uit een grote pan met houten lepels, terwijl we giechelen en herinneringen ophalen aan tijden die we niet samen hebben doorgebracht maar beiden herinneren. Af en toe moet ik opstaan en rondrennen, ballen in de lucht gooien, heel hard muziek luisteren en gillen en ronddansen terwijl hij zich afvraagt wat hij nou weer in huis heeft gehaald. Dan gaan we fietsen, of lopen, en zie ik San Francisco door de ogen van een van haar inwoners.
Deze stad vol vrijheid sprak me meteen aan met haar open gekheid. In de Mission, waar zelfs op de winkelramen wordt aangegeven dat de eigenaars écht wel homo zijn, vinden we de beste chocola van de wereld. Gekleurde vlaggen hangen uit en er is een winkel genaamd ‘Don’t let your mother know…’ . Later, op Twin Peaks, geen uitzicht, want het mist –zoals altijd. Bij Blue Bottle Coffee, in een garage in een zijweggetje waar de rij tot aan de andere kant van de straat reikt, drink ik San Franciscos beste koffie. Daarnaast een winkel met allerlei vreemde korsetten, pruiken, hoeden, en prachtige kettingen waarvan ik later bovenop een beklommen berg de allermooiste in een doosje krijg. Ik weet niet wat ik moet zeggen.
In Chinatown gaan we op bezoek bij Unkle Ji, een hilarische oude Chinees die Z. –die hij zijn zoon noemt- vraagt where the hell he has been en mij omarmt, zoent, en welkom heet in de familie. Dan krijst hij ‘dit is geen theewinkel, dit is een BAR! Zitten!’ en zet mij een beetje verdwaasd op een krukje aan de lage bar naast enkele andere van de straat geplukte karakters. Naast mij wordt een meisje op haar handen getikt omdat ze koffie drinkt en ik besluit wijselijk mijn mond te houden. Thee na thee na thee, rozen, jasmijn, rozemarijn, kung fu. ‘Dit is een heel speciale thee’, zegt Unkle Ji met een stoute twinkeling in zijn ogen. ‘Hiervoor moet je al je kleren uittrekken en wollen sokken aandoen terwijl je voor het vuur zit. Of als je geen vuur hebt, de oven. Het is goed voor je bloedsomloop, zonder caffeïne, maar met genoeg energie om nog… dingen te doen voor je gaat slapen.’ Ik moet zo hard lachen dat ik me verslik in mijn thee. ‘We’re in San Francisco, and this is called ‘Horny Tea’ ‘, zegt hij. ‘Met wollen sokken,’ voeg ik toe. ‘Ja,’ gilt hij ‘want die vloeren hier zijn zo verrekte koud!’
De dagen, die voelen als frisse lentemorgens in Nederland, vliegen voorbij, gevuld met gesprekken, eten, drinken en vooral veel huisgebakken koekjes en brownies. En opeens is het de avond voordat ik wegga en na een afscheidfeestje met zeven anderen en heel veel eten proberen we te bedenken wat we nu eigenlijk hebben gedaan behalve dan Heel Erg Veel Gepraat.
En nu dan weer verder, over bergen, meren, sneeuw, zand, rotsen en rivieren, Canada in. ‘Canada in Januari?’ vroeg J. ‘Daar heb je blijkbaar vréselijk goed over nagedacht.’ Nee. ‘Je moet je vrienden wel erg graag willen zien.’ Ja.
Op het vliegveld blijk ik alweer uitverkoren te zijn voor de bomtest. Ik word uit de rij gehaald, en moet in een machine gaan staan die me zonder verdere moeite naar Canada zal transporteren, dat moet wel, want het lijkt precies op een transportatieportaal van Star Trek. Het licht dimt. Er wordt gesprayd. Een onzichtbare mevrouw zegt dat ik moet wachten op het groene licht. Doodse stilte. Zou het goed gaan? Zou dit mij tien uur vliegtijd besparen? Ik voel mijn moleculen door de ruimte vliegen, dank Amerika voor haar Geweldige Uitvindingen, vraag me af of ik wel heelhuids aan zal komen en dan..
De deuren gaan open. Ik ben nog steeds in Amerika. Verbaasd en teleurgesteld vraag ik de man die zich een weg worstelt door mijn nieuwe verzameling boeken, Chinese- en jongleerballen, elektronica , schoenen met reisaroma en collectie tandeborstels wat er mis is gegaan. Ze werken eraan.
Het was alsof ik thuis kwam na een lange reis.
De grond van de woonkamer is bezaaid met ballen in allerlei maten en gewichten om mee te leren jongleren. Aan de muur boven mijn bed –de bank- hangt een lelijk schilderij. Mijn tas staat in een hoek. Z. en ik zitten op de grond en eten kinua uit een grote pan met houten lepels, terwijl we giechelen en herinneringen ophalen aan tijden die we niet samen hebben doorgebracht maar beiden herinneren. Af en toe moet ik opstaan en rondrennen, ballen in de lucht gooien, heel hard muziek luisteren en gillen en ronddansen terwijl hij zich afvraagt wat hij nou weer in huis heeft gehaald. Dan gaan we fietsen, of lopen, en zie ik San Francisco door de ogen van een van haar inwoners.
Deze stad vol vrijheid sprak me meteen aan met haar open gekheid. In de Mission, waar zelfs op de winkelramen wordt aangegeven dat de eigenaars écht wel homo zijn, vinden we de beste chocola van de wereld. Gekleurde vlaggen hangen uit en er is een winkel genaamd ‘Don’t let your mother know…’ . Later, op Twin Peaks, geen uitzicht, want het mist –zoals altijd. Bij Blue Bottle Coffee, in een garage in een zijweggetje waar de rij tot aan de andere kant van de straat reikt, drink ik San Franciscos beste koffie. Daarnaast een winkel met allerlei vreemde korsetten, pruiken, hoeden, en prachtige kettingen waarvan ik later bovenop een beklommen berg de allermooiste in een doosje krijg. Ik weet niet wat ik moet zeggen.
In Chinatown gaan we op bezoek bij Unkle Ji, een hilarische oude Chinees die Z. –die hij zijn zoon noemt- vraagt where the hell he has been en mij omarmt, zoent, en welkom heet in de familie. Dan krijst hij ‘dit is geen theewinkel, dit is een BAR! Zitten!’ en zet mij een beetje verdwaasd op een krukje aan de lage bar naast enkele andere van de straat geplukte karakters. Naast mij wordt een meisje op haar handen getikt omdat ze koffie drinkt en ik besluit wijselijk mijn mond te houden. Thee na thee na thee, rozen, jasmijn, rozemarijn, kung fu. ‘Dit is een heel speciale thee’, zegt Unkle Ji met een stoute twinkeling in zijn ogen. ‘Hiervoor moet je al je kleren uittrekken en wollen sokken aandoen terwijl je voor het vuur zit. Of als je geen vuur hebt, de oven. Het is goed voor je bloedsomloop, zonder caffeïne, maar met genoeg energie om nog… dingen te doen voor je gaat slapen.’ Ik moet zo hard lachen dat ik me verslik in mijn thee. ‘We’re in San Francisco, and this is called ‘Horny Tea’ ‘, zegt hij. ‘Met wollen sokken,’ voeg ik toe. ‘Ja,’ gilt hij ‘want die vloeren hier zijn zo verrekte koud!’
De dagen, die voelen als frisse lentemorgens in Nederland, vliegen voorbij, gevuld met gesprekken, eten, drinken en vooral veel huisgebakken koekjes en brownies. En opeens is het de avond voordat ik wegga en na een afscheidfeestje met zeven anderen en heel veel eten proberen we te bedenken wat we nu eigenlijk hebben gedaan behalve dan Heel Erg Veel Gepraat.
En nu dan weer verder, over bergen, meren, sneeuw, zand, rotsen en rivieren, Canada in. ‘Canada in Januari?’ vroeg J. ‘Daar heb je blijkbaar vréselijk goed over nagedacht.’ Nee. ‘Je moet je vrienden wel erg graag willen zien.’ Ja.
Op het vliegveld blijk ik alweer uitverkoren te zijn voor de bomtest. Ik word uit de rij gehaald, en moet in een machine gaan staan die me zonder verdere moeite naar Canada zal transporteren, dat moet wel, want het lijkt precies op een transportatieportaal van Star Trek. Het licht dimt. Er wordt gesprayd. Een onzichtbare mevrouw zegt dat ik moet wachten op het groene licht. Doodse stilte. Zou het goed gaan? Zou dit mij tien uur vliegtijd besparen? Ik voel mijn moleculen door de ruimte vliegen, dank Amerika voor haar Geweldige Uitvindingen, vraag me af of ik wel heelhuids aan zal komen en dan..
De deuren gaan open. Ik ben nog steeds in Amerika. Verbaasd en teleurgesteld vraag ik de man die zich een weg worstelt door mijn nieuwe verzameling boeken, Chinese- en jongleerballen, elektronica , schoenen met reisaroma en collectie tandeborstels wat er mis is gegaan. Ze werken eraan.
vrijdag 2 januari 2009
200
Quito airport, 28/12/2008, 12.00
'U kunt niet mee.'
'Sorry?'
'U heeft niet betaald'
'Ik dacht het wel.'
'U moet nog een keer betalen'
'Ik dacht het niet.'
'We zullen er even over bellen.'
12.25
'U heeft uw reisbureau betaald maar niet onze maatschappij.'
'Mijn reisbureau betaalt uw maatschappij.'
'Heeft u een bewijs van betaling?'
'Die heeft u in uw handen.'
'Ik heb een bewijs van betaling nodig.'
'Dat is een bewijs van betaling.'
'Oh. We zullen er even over bellen.'
12.40
(balie naast mij)
'U heeft geen gele koorts inenting. U moet deze halen.'
(verbaasde man) 'waarom?'
'Dat zijn de regels.'
(verbaasde man loopt weg met man van het vliegveld)
(vriend van verbaasde man) 'En ik dan?'
'U hoeft niet. U bent ouder dan 60.'
' ... '
12.55
'Mogen we uw bewijs van betaling kopieren?'
'Natuurlijk.'
13.00
'Wat is uw adres in de VS?'
'Dat heb ik niet bij de hand, alleen in mijn inbox.'
'Kunt u die box dan niet even ophalen?'
'Inbox. Ik bedoel, op internet.'
'Aha. Dan kunt u niet mee.'
'Als ik even op internet kan..'
'Dan moet u maar internet zoeken.'
13.20
'Ik heb het adres.'
'Geweldig. Dan hoeft u alleen nog maar de 40.80 luchthavenbelasting te betalen.'
(naast mij een man met een verse gele koorts inenting)
'Aha. Waar doe ik dat?'
'Daar.'
'Bedankt voor alles.'
'Ja dag.'
Het is dag 200. Twee Amerikaanse mannen zijn mijn gezelschap in het vliegtuig naar Costa Rica. Een van hen moest een inenting halen voor gele koorts. Dit betekent hetzelfde als 50 dollar betalen aan een man die dan uit een laatje een bewijs van inenting tevoorschijn haalt, die in het echt 10 dollar kosten. Ze komen, zoals ze zelf zeggen, uit Killadelphia, en zijn naar Costa Rica gereden. Ik moet erg om ze lachen en ze helpen me vergeten dat ik onderweg ben naar de VS, weer terug naar de wereld van consumeren, luchtvervuiling (hoewel Quito daar ook goed in is), couchsurfing en in mijn herinnering leegte.
En dus realiseer ik me pas in LA waar ik ben, als ik er in het vliegveld door een stem in de lucht aan herinnerd wordt hoe alle bordjes werken, dat ik echt mijn tas niet onbeheerd achter moet laten en dat ik altijd 911 mag bellen. Ik koop een bagel en een milkshake en vind een bankje om op te slapen. De volgende morgen vlieg ik naar San Francisco. Een vriendelijke oude nicht vertelt me alles over de stad en legt me uit hoe ik bij het adres kom waar ik zijn moet. Ik vind een koffiehuis en poets mijn tanden. Ondertussen klets is met de twee jongens die mij een cappuchino en een blueberrymuffin geven en me niet laten betalen als ik beloof de volgende dag terug te komen. Ook lenen ze me een telefoon zodat ik de jongen op wiens bank ik de komende week zal doorbrengen kan bellen. En zo eindig ik moe en blij in de kamer van Zach en begin een week van Ontzettend Geweldige Ervaringen in San Francisco met hilarische discussie over belangrijke aspecten van het leven, zoals thee, en kaas. Dan stappen we op de fiets om de stad te verkennen.
'U kunt niet mee.'
'Sorry?'
'U heeft niet betaald'
'Ik dacht het wel.'
'U moet nog een keer betalen'
'Ik dacht het niet.'
'We zullen er even over bellen.'
12.25
'U heeft uw reisbureau betaald maar niet onze maatschappij.'
'Mijn reisbureau betaalt uw maatschappij.'
'Heeft u een bewijs van betaling?'
'Die heeft u in uw handen.'
'Ik heb een bewijs van betaling nodig.'
'Dat is een bewijs van betaling.'
'Oh. We zullen er even over bellen.'
12.40
(balie naast mij)
'U heeft geen gele koorts inenting. U moet deze halen.'
(verbaasde man) 'waarom?'
'Dat zijn de regels.'
(verbaasde man loopt weg met man van het vliegveld)
(vriend van verbaasde man) 'En ik dan?'
'U hoeft niet. U bent ouder dan 60.'
' ... '
12.55
'Mogen we uw bewijs van betaling kopieren?'
'Natuurlijk.'
13.00
'Wat is uw adres in de VS?'
'Dat heb ik niet bij de hand, alleen in mijn inbox.'
'Kunt u die box dan niet even ophalen?'
'Inbox. Ik bedoel, op internet.'
'Aha. Dan kunt u niet mee.'
'Als ik even op internet kan..'
'Dan moet u maar internet zoeken.'
13.20
'Ik heb het adres.'
'Geweldig. Dan hoeft u alleen nog maar de 40.80 luchthavenbelasting te betalen.'
(naast mij een man met een verse gele koorts inenting)
'Aha. Waar doe ik dat?'
'Daar.'
'Bedankt voor alles.'
'Ja dag.'
Het is dag 200. Twee Amerikaanse mannen zijn mijn gezelschap in het vliegtuig naar Costa Rica. Een van hen moest een inenting halen voor gele koorts. Dit betekent hetzelfde als 50 dollar betalen aan een man die dan uit een laatje een bewijs van inenting tevoorschijn haalt, die in het echt 10 dollar kosten. Ze komen, zoals ze zelf zeggen, uit Killadelphia, en zijn naar Costa Rica gereden. Ik moet erg om ze lachen en ze helpen me vergeten dat ik onderweg ben naar de VS, weer terug naar de wereld van consumeren, luchtvervuiling (hoewel Quito daar ook goed in is), couchsurfing en in mijn herinnering leegte.
En dus realiseer ik me pas in LA waar ik ben, als ik er in het vliegveld door een stem in de lucht aan herinnerd wordt hoe alle bordjes werken, dat ik echt mijn tas niet onbeheerd achter moet laten en dat ik altijd 911 mag bellen. Ik koop een bagel en een milkshake en vind een bankje om op te slapen. De volgende morgen vlieg ik naar San Francisco. Een vriendelijke oude nicht vertelt me alles over de stad en legt me uit hoe ik bij het adres kom waar ik zijn moet. Ik vind een koffiehuis en poets mijn tanden. Ondertussen klets is met de twee jongens die mij een cappuchino en een blueberrymuffin geven en me niet laten betalen als ik beloof de volgende dag terug te komen. Ook lenen ze me een telefoon zodat ik de jongen op wiens bank ik de komende week zal doorbrengen kan bellen. En zo eindig ik moe en blij in de kamer van Zach en begin een week van Ontzettend Geweldige Ervaringen in San Francisco met hilarische discussie over belangrijke aspecten van het leven, zoals thee, en kaas. Dan stappen we op de fiets om de stad te verkennen.
zaterdag 20 december 2008
Buik
Dat het er klein en donker zou zijn had ik ergens wel verwacht. De rondrennende kinderen gillen, vrouwen wachten geduldig, een baby huilt. Het ruikt er naar alcohol, kruiden, vieze luiers en een vleugje rottend vlees. Een harige spin kruipt over het rottende plafond. De receptie is verlaten en dus loop ik naar een willekeurige ruimte. Of er iemand beschikbaar is. De vriendelijke Ecuadoriaan neemt me bij de arm, roept wat tegen een zuster en zet mij in een kamertje. Enkele minuten later stamel ik in mijn beste Spaans antwoorden tegen een dokter op vragen die ik niet begrijp. Hij heeft de zachte bruine ogen en chocolade huid van een indigino en spreekt geen woord Engels. Als hij ziet dat ik bijna begin te huilen legt hij mij op de onderzoekstafel, en laat me achter bij een kordate zuster die een thermometer in mijn mond duwt, mijn bloeddruk meet en ondertussen gezellig kwebbelt over het weer. Hij komt terug met een A4-tje met de Engelse vertaling van zijn vragen en een glimlach die me geruststelt. Vervolgens vertelt hij me na onderzoek dat ik veel eerder had moeten komen, dat ik echt mijn medicijnen moet nemen en dat het allemaal goed komt.
Twee weken, een zware antibioticakuur, een jungletrip en een groentedieet later breng ik weer het grootste gedeelte van de dag door op het toilet en overdenk de mogelijkheden om het ziekenhuis te ontwijken. Deze keer heb ik geen koorts en geen zin in nog meer medicijnen -want die doden niet alleen de slechte bacterien maar ook mijn weerstand. In plaats daarvan eet ik papayazaadjes en baad ik mij in de baden onder de waterval in het dorp met de welgekozen naam Baños. Met op de achtergrond veel versies van ´Feliz Navidad´ verbrand ik, slechts honderd kilometer verwijderd van de evenaar die ik eerder bezocht heb. Met mijn ogen dicht probeerde ik recht over de exacte nullijn van de aarde te lopen, wat vrijwel onmogelijk is door de magnetische velden die je dan wel naar het Noordelijk, dan wel naar het Zuidelijk halfrond trekken.
Naast Baños heeft de vulkaan Tungurahua enkele dagen geleden besloten weer actief te worden. Na een dag duidelijke rooksignalen af te hebben gegeven heeft hij zich achter een permanente wolk verstopt om zijn geheime plan tot in de puntjes uit te werken. Twee jaar geleden is hij voor de laatste keer uitgebarsten, mensen sparend maar wegen vernielend. Als ik in het dorp informeer of het niet gevaarlijk is om hier te zijn lacht een jonge Ecuadoriaan en zegt: ´Natuurlijk niet! We hebben immers een bel!' Geen enkele reden om me druk te maken dus en daarom drink ik nog maar een mojito met Tim, de ronde roodharige Ierse chef die goedgemutst vieze grappen vertelt en brownies voor mij uit zijn keuken smokkelt. Die zijn zelfs voor mijn buikbacterie onweerstaanbaar.
Twee weken, een zware antibioticakuur, een jungletrip en een groentedieet later breng ik weer het grootste gedeelte van de dag door op het toilet en overdenk de mogelijkheden om het ziekenhuis te ontwijken. Deze keer heb ik geen koorts en geen zin in nog meer medicijnen -want die doden niet alleen de slechte bacterien maar ook mijn weerstand. In plaats daarvan eet ik papayazaadjes en baad ik mij in de baden onder de waterval in het dorp met de welgekozen naam Baños. Met op de achtergrond veel versies van ´Feliz Navidad´ verbrand ik, slechts honderd kilometer verwijderd van de evenaar die ik eerder bezocht heb. Met mijn ogen dicht probeerde ik recht over de exacte nullijn van de aarde te lopen, wat vrijwel onmogelijk is door de magnetische velden die je dan wel naar het Noordelijk, dan wel naar het Zuidelijk halfrond trekken.
Naast Baños heeft de vulkaan Tungurahua enkele dagen geleden besloten weer actief te worden. Na een dag duidelijke rooksignalen af te hebben gegeven heeft hij zich achter een permanente wolk verstopt om zijn geheime plan tot in de puntjes uit te werken. Twee jaar geleden is hij voor de laatste keer uitgebarsten, mensen sparend maar wegen vernielend. Als ik in het dorp informeer of het niet gevaarlijk is om hier te zijn lacht een jonge Ecuadoriaan en zegt: ´Natuurlijk niet! We hebben immers een bel!' Geen enkele reden om me druk te maken dus en daarom drink ik nog maar een mojito met Tim, de ronde roodharige Ierse chef die goedgemutst vieze grappen vertelt en brownies voor mij uit zijn keuken smokkelt. Die zijn zelfs voor mijn buikbacterie onweerstaanbaar.
zondag 14 december 2008
Oriente
Daar zit ik dan, in het pikkedonker, terwijl het harder stormt dan ik ooit heb gezien. Het rieten dak houdt de regen beter tegen dan menig dakpan zou doen. De bliksem verlicht de palmbomen, lianen, bananenplanten en engelentrompetten. Om mij heen zitten dertig Ecuadorianen die zich door een kleinigheid als stroomuitval niet laten storen in hun verjaardagsfeest. De drank blijft rondgaan, er wordt gelachen en geschreeuwt en uit een ander gebouwtje wordt een generator tevoorschijn getoverd die de boel weer op gang brengt. Muziek!
Eerder die avond zat iedereen met zijn handen de kippensoep te slurpen en de vis te eten, die in een bananenblad boven het vuur uren had liggen roosteren. De lucht, zwaar van regen, werd toen al donker. Ik raak in een geanimeerd gesprek met een vrouw, die de leider van de vrouwen van het Rode Kruis is. Ze is erg geinteresseerd in mijn reis, in wat ik doe, hoe oud ik ben, hoeveel broers en zussen ik heb, en waarom ik niet aan het werk ben. Terwijl ik een stuk kip tussen mijn borsten vandaan weet te vissen probeer ik in mijn beste Spaans uit te leggen dat ik liever al reizend leer over de wereld dan in een schoolbank. Maar wat is het woord voor schoolbank?
De lichten zijn weer aan, de muziek die mij 13 jaar terug brengt in de tijd schalt keihard door de luidsprekers. Ik ben weer eens de enige vrouw en dat betekent dansen, dansen. De man die deze koepel heeft gebouwd is de medicijnman Mario. In zijn smerige t-shirt loopt hij dronken whisky uit te delen. Drinken, ook bier, gaat hier in shots, die door verschillende mensen worden uitgedeeld en waartegen geen nee gezegd mag worden. Huisgebrouwen goedjes zijn de favoriet, dat wil zeggen, met meer dan 50%. Is goed voor je buik. Terug naar Mario. Hij kent de werking van werkelijk alle planten en na 22 jaar met de Ketchwa shamans gewerkt te hebben mag hij zich ook zo noemen. Trots vertelt hij over gebroken armen die geheeld zijn door het toedienen van bepaalde bladerpapjes, slangenvet en meer dingen waar ik echt helemaal niets van weet. Achter zijn huis wordt een grote medisch botanische tuin aangelegd, waar alle medicinale planten groeien voor de dorpjes waar in gewerkt wordt.
Hij is nu echt dronken en slingert mij met plezier de hele dansvloer over. Na vriendelijk bedankt te hebben voor de zoveelste ronde word ik in een auto gezet en scheuren we met 120 km/u met een van de jarigen naar de karaoke bar. Waar het halve dorp Loreto Spaanse hits loopt te zingen, waar liters gedronken wordt, en waar slechts twee andere vrouwen aanwezig zijn, die aan hun mannen hangen als slangen. Op het punt waarop ik gedwongen wordt mijn stem te laten horen valt de stroom weer uit. In de stromende regen naar huis, dat is, de hoek om, waar spinnen en hagedissen mij al verwachten. De familie muis heeft haar onderdak recht boven mijn hoofd gevonden en knaagt de hele nacht aan de elektriciteitskabels. Dit is het echte leven. Dit is de jungle van Ecuador.
Eerder die avond zat iedereen met zijn handen de kippensoep te slurpen en de vis te eten, die in een bananenblad boven het vuur uren had liggen roosteren. De lucht, zwaar van regen, werd toen al donker. Ik raak in een geanimeerd gesprek met een vrouw, die de leider van de vrouwen van het Rode Kruis is. Ze is erg geinteresseerd in mijn reis, in wat ik doe, hoe oud ik ben, hoeveel broers en zussen ik heb, en waarom ik niet aan het werk ben. Terwijl ik een stuk kip tussen mijn borsten vandaan weet te vissen probeer ik in mijn beste Spaans uit te leggen dat ik liever al reizend leer over de wereld dan in een schoolbank. Maar wat is het woord voor schoolbank?
De lichten zijn weer aan, de muziek die mij 13 jaar terug brengt in de tijd schalt keihard door de luidsprekers. Ik ben weer eens de enige vrouw en dat betekent dansen, dansen. De man die deze koepel heeft gebouwd is de medicijnman Mario. In zijn smerige t-shirt loopt hij dronken whisky uit te delen. Drinken, ook bier, gaat hier in shots, die door verschillende mensen worden uitgedeeld en waartegen geen nee gezegd mag worden. Huisgebrouwen goedjes zijn de favoriet, dat wil zeggen, met meer dan 50%. Is goed voor je buik. Terug naar Mario. Hij kent de werking van werkelijk alle planten en na 22 jaar met de Ketchwa shamans gewerkt te hebben mag hij zich ook zo noemen. Trots vertelt hij over gebroken armen die geheeld zijn door het toedienen van bepaalde bladerpapjes, slangenvet en meer dingen waar ik echt helemaal niets van weet. Achter zijn huis wordt een grote medisch botanische tuin aangelegd, waar alle medicinale planten groeien voor de dorpjes waar in gewerkt wordt.
Hij is nu echt dronken en slingert mij met plezier de hele dansvloer over. Na vriendelijk bedankt te hebben voor de zoveelste ronde word ik in een auto gezet en scheuren we met 120 km/u met een van de jarigen naar de karaoke bar. Waar het halve dorp Loreto Spaanse hits loopt te zingen, waar liters gedronken wordt, en waar slechts twee andere vrouwen aanwezig zijn, die aan hun mannen hangen als slangen. Op het punt waarop ik gedwongen wordt mijn stem te laten horen valt de stroom weer uit. In de stromende regen naar huis, dat is, de hoek om, waar spinnen en hagedissen mij al verwachten. De familie muis heeft haar onderdak recht boven mijn hoofd gevonden en knaagt de hele nacht aan de elektriciteitskabels. Dit is het echte leven. Dit is de jungle van Ecuador.
maandag 1 december 2008
December in Vilcabamba
De kou trekt langzaam maar zeker door de Noorderlijke hemisfeer terwijl de Andes in het zuiden van Ecuador kampt met de regens die door de opwarming van de aarde worden veroorzaakt. De zon lijkt vandaag niet door de witte lucht te kunnen breken. Het dal, met daarin het kleine dorp, baadt in groenig licht. Een kolibrie beweegt haar vleugels op recordsnelheid terwijl ze met haar smalle snavel het onderste uit de kan probeert te halen. Het is december.
Ik weet wel dat ik binnenkort naar Los Angeles moet vliegen maar dat zet me niet aan tot een laatste keer door een land knallen. Integendeel, ik wil hier zijn. En dus boek ik nog een nacht, terwijl Mateo van de receptie zijn hoge lachje lacht en zegt dat hij al lang wist dat ik nooit weg zou gaan. Buiten ruikt het naar leven. De Schrijfster beweegt haar van artritis roestige botten in het zwembad, ik lig op bed grappen te maken, en de Acteur hangt aan een balk in de kamer het interieur op te leuken.
Later, achterin een pick up de heuvel af naar het dorp, dag Acteur, hallo Sieradenman. Natuurlijk wil ik even met je praten. Dorpsleven op zijn mooist. Dus ik blijf nog even.
Abonneren op:
Posts (Atom)