Vaag licht dringt de kamer binnen en het duurt even voordat ik weet waar ik ben. Opstaan, voeten op de ijskoude vloer, naar de badkamer rennen, de douche in. Terwijl ik wacht tot de straal kokend heet is vormt mijn adem wolkjes in de kleine ruimte. Buiten ligt rijp op het gras. Nog nooit ben ik jarig geweest op een dag met rijp. Het duurt lang voordat ik warm ben, maar uiteindelijk stap ik geurend naar mandarijntjes en munt de koude dag in.
De avond daarvoor heb ik met een grote groep mensen uit de bus meegedaan aan de pubquiz in de Ierse pub, en om 12 uur kwam mijn duitse vriendin J. met een rijstewafel met vier kaarsjes erop aangelopen. Een hilarische gluten- en lactosevrije verjaardagstaart. Hoe vier kaarsjes je gelukkig kunnen laten voelen.
Een eitje als ontbijtje. Vanuit de grote koelkast staart een paar ogen mij aan. Een van de verjaardagscadeaus die ik gisteren gekregen heb. Stijf, glibberig, koud, zo'n veertig centimeter forel dat geduldig lijkt te liggen wachten op wat er komen gaat. Ik heb nog nooit een forel schoongemaakt, laat staan voor mijn verjaardag, maar de buschauffeur ving er de vorige middag eentje voor me uit het meer. Dus is het tijd om Het Internet om hulp te vragen.
Een uur later sta ik vol goede moed met de ingewanden van mijn lunch in mijn handen. Bloed stroomt uit de slagader, zilveren schubben geven de gootsteen een feestelijk laagje confetti. Mijn zakmes is treurig genoeg het scherpste voorwerp in de keuken en daardoor is het schoonmaken van de vis nog een extra uitdaging. Na een dikke drie kwartier zwoegen ligt het uiteindelijk gevuld met pesto en omwikkeld met bacon in de oven. Ik voel me nu al voldaan, Helemaal Zelf Gedaan. Het wordt een van de beste maaltijden die ik ooit heb gegeten, en genoeg voor een dag of drie.
Later, aan de oevers van het Taupo meer dat groter is dan Singapore, koop ik een soy latte en zoek naar een plekje om die rustig op te drinken. In Zuid-Amerika had ik handschoenen kunnen kopen, en ik baal er nog steeds van dat niet te hebben gedaan. Het is koud. Aan de rand van het water zijn een aantal natuurlijke hete bronnen, en bij een daarvan ga ik in het gras zitten. Ik kijk uit over het water, naar Mount Doom. Ergens op de achtergrond hoor ik een scooter stoppen. Een alarmbel gaat af, maar degene die afstapt blijkt de 64 jarige Lara te zijn. 'I'm a local,' zegt ze met zo'n zwaar Chinees accent dat ik moeite moet doen niet te lachen. Dit is haar favoriete plaats, omdat ze thuis geen warm water heeft wast ze zich hier. Ze vraagt of ik wat traditioneel chinees eten wil en zonder op antwoord te wachten komt ze terug met gemarineerd wild zwijn, en paarse Maori aardappels. En roze handschoenen. 'Je hebt handschoenen nodig. Hier.' Verbaasd kijk ik haar aan. 'Hier! Ik wil dat je ze hebt.' Ik vertel haar dat het mijn verjaardag is en dat ik graag handschoenen wou. Ze vindt het prachtig. We raken in een lang gesprek, over Taiwan, waar ze is opgegroeid, over Nederland, over Nieuw Zeeland, over Alles. Ik krijg haar nummer en adres, en beloof later deze week langs te komen voor een kop thee. Dan start ik haar scooter voor haar en rijdt ze weg.
Met een grote glimlach ga ik verderop weer zitten. Blauw warm thermaal water aan mijn voeten, op de achtergrond de besneeuwde vulkanen die ik morgen zal beklimmen, een blauwe lucht. Twee zwarte zwanen zwemmen door het beeld. Ik ben 23 en onbeschaamd gelukkig.
dinsdag 23 juni 2009
vrijdag 19 juni 2009
Koffie
Het kan niet anders of er staat 'wees lief voor mij' op mijn voorhoofd geschreven. Het is weer zo ver, ik kom weer eens in een stad die ik niet ken, op een godvergeten tijdstip, met een lange reis in mijn benen en slaap zonder bed, en ik smacht naar koffie. Koffie en ik hebben een bijzondere relatie, die voornamelijk 'onderweg' plaatsvindt. Koffie maakt me tijdelijk vreselijk gelukkig. Degene die het mij inschenkt houd ik vervolgens verantwoordelijk voor dat geluksgevoel en bestempel ik in mijn hoofd als een Levensredder en Nieuwe Vriend.
Zo ook nu. Op het vliegveld van Auckland staat een zilveren caravan met daarin een roodharige twintiger die niet anders omschreven kan worden dan 'guitig'. Hij geeft mij vrolijk een soy latte en kwebbelt over zijn weekend, vraagt waar ik vandaan komt en weigert mijn geld aan te nemen. Dan of ik al een bed heb, wie mij rond gaat leiden, en dat ik dat wel af kan zeggen want hij zal dat doen. Ik krijg naam, adres, en telefoonnummer, en na een gesprek over De Zin Van Het Leven rugzak ik de stad in.
Zijn naam is M., en hij houdt woord. Ik mag hem de kleren van het lijf vragen over het leven in Nieuw Zeeland, over zijn favoriete plekken (Waar hij me prompt mee naartoe neemt), hoe hij zichzelf ziet in vijf jaar en wat voor koffie hij graag maakt. Hij praat, veel, en taxiet mij rond voor niets. Zorgt dat ik niets tekort kom, kortom, een waar gastheer 'uit naam van zijn land'. Doordat hij een auto heeft komen we op plekken die ik anders nooit had gezien. Op het strand Piha torenen drie rotsen uit het water: de kameel, de leeuw en de aap. We klimmen half op de kameel en kijken over de zee, die de stenen onder handen neemt, naar de leeuw. Toen hij 16 was klom hij ergens half december met zijn vrienden die rots op. Het was prachtig, het uitzicht geweldig, ze deden dit vaker. Tot een van hen uitgleed en de diepte in viel, 15 meter lager in het water terecht kwam en pas op kerstavond werd teruggevonden. Vrolijk kerstfeest.
Het is niet de eerste keer dat ik half in pyjama in een koffiebar strand die mijn redding blijkt te zijn. Al eerder gebeurde dit in San Francisco, in Montreal en in New York. Misschien zie ik er op die momenten zo hulpeloos uit dat men niet anders kan dan mij alles wat ik nodig heb aan te bieden. Misschien hebben de goden van de koffieplant het goed met mij voor. Hoe het ook zij, mij hoor je niet klagen. Ik blijf wel bestellen.
Ik besluit Auckland te verlaten en om M. niet tot last te zijn wil ik in een hostel overnachten; de volgende ochtend zal de bus mij om half 8 oppikken en dat is toch wat vroeg. Maar hier wil hij niets van horen en dus zitten we al om kwart voor 7 in de auto vrolijk mee te zingen met de geglobaliseerde popmuziek. Ik heb hem op het hart gedrukt dat hij Nieuw Zeeland uit gaat, de wereld in. Hij zegt me dat ik altijd mag bellen als ik iets nodig heb. En zo nemen we afscheid. Voor even. 'Volgens mij zijn we nu vrienden,' zegt hij. 'Ja', zeg ik, 'dat weet ik wel zeker.'
Zo ook nu. Op het vliegveld van Auckland staat een zilveren caravan met daarin een roodharige twintiger die niet anders omschreven kan worden dan 'guitig'. Hij geeft mij vrolijk een soy latte en kwebbelt over zijn weekend, vraagt waar ik vandaan komt en weigert mijn geld aan te nemen. Dan of ik al een bed heb, wie mij rond gaat leiden, en dat ik dat wel af kan zeggen want hij zal dat doen. Ik krijg naam, adres, en telefoonnummer, en na een gesprek over De Zin Van Het Leven rugzak ik de stad in.
Zijn naam is M., en hij houdt woord. Ik mag hem de kleren van het lijf vragen over het leven in Nieuw Zeeland, over zijn favoriete plekken (Waar hij me prompt mee naartoe neemt), hoe hij zichzelf ziet in vijf jaar en wat voor koffie hij graag maakt. Hij praat, veel, en taxiet mij rond voor niets. Zorgt dat ik niets tekort kom, kortom, een waar gastheer 'uit naam van zijn land'. Doordat hij een auto heeft komen we op plekken die ik anders nooit had gezien. Op het strand Piha torenen drie rotsen uit het water: de kameel, de leeuw en de aap. We klimmen half op de kameel en kijken over de zee, die de stenen onder handen neemt, naar de leeuw. Toen hij 16 was klom hij ergens half december met zijn vrienden die rots op. Het was prachtig, het uitzicht geweldig, ze deden dit vaker. Tot een van hen uitgleed en de diepte in viel, 15 meter lager in het water terecht kwam en pas op kerstavond werd teruggevonden. Vrolijk kerstfeest.
Het is niet de eerste keer dat ik half in pyjama in een koffiebar strand die mijn redding blijkt te zijn. Al eerder gebeurde dit in San Francisco, in Montreal en in New York. Misschien zie ik er op die momenten zo hulpeloos uit dat men niet anders kan dan mij alles wat ik nodig heb aan te bieden. Misschien hebben de goden van de koffieplant het goed met mij voor. Hoe het ook zij, mij hoor je niet klagen. Ik blijf wel bestellen.
Ik besluit Auckland te verlaten en om M. niet tot last te zijn wil ik in een hostel overnachten; de volgende ochtend zal de bus mij om half 8 oppikken en dat is toch wat vroeg. Maar hier wil hij niets van horen en dus zitten we al om kwart voor 7 in de auto vrolijk mee te zingen met de geglobaliseerde popmuziek. Ik heb hem op het hart gedrukt dat hij Nieuw Zeeland uit gaat, de wereld in. Hij zegt me dat ik altijd mag bellen als ik iets nodig heb. En zo nemen we afscheid. Voor even. 'Volgens mij zijn we nu vrienden,' zegt hij. 'Ja', zeg ik, 'dat weet ik wel zeker.'
vrijdag 29 mei 2009
Een engel op een brommer
Het ruikt er naar uitlaatgassen, gras en gebraden worsten, en wat je hoort zijn honderden vogeltjes die de lente vieren. De wereld was hier kortgeleden nog in tweeen gedeeld. Er staat een oud stuk van een muur die de een van de ander scheidde. Een dun stuk beton, niet erg hoog, volgeklad. Niet alleen die muur, maar alles is beschreven. Alsof men hier bij het wasmiddel een gratis graffitispuitbus kreeg.
De lokale koffie keten heet Balzac en die naam alleen is al reden genoeg hier de soy latte uit te proberen. Met een logo dat een engeltje op een brommer uitbeeldt kan het niet anders dan hemels zijn. Ware het niet dat er nergens een Balzac te vinden is, behalve 'die ene die we laatst ergens zagen'. 'Gelukkig hebben we de foto's nog', vindt E. . Maar daar nemen we toch geen genoegen mee en daarom starten wij 'Op Zoek Naar Een Balzac', en 'De Balzac missie'. Ondertussen zien we vele hoogte- en dieptepunten van Berlijn, varen we op een bootje naar een meer, dansen tot E.'s voeten er praktisch afvallen, maar dat valt allemaal in het niet op het moment dat we na dagen zoeken een Balzac hebben gevonden en ons met een daar verkregen koffie in het zachte gras onder de dom in het warme zonlicht baden, ver genoeg van Nederland om ons helemaal nergens zorgen over te maken.
De lokale koffie keten heet Balzac en die naam alleen is al reden genoeg hier de soy latte uit te proberen. Met een logo dat een engeltje op een brommer uitbeeldt kan het niet anders dan hemels zijn. Ware het niet dat er nergens een Balzac te vinden is, behalve 'die ene die we laatst ergens zagen'. 'Gelukkig hebben we de foto's nog', vindt E. . Maar daar nemen we toch geen genoegen mee en daarom starten wij 'Op Zoek Naar Een Balzac', en 'De Balzac missie'. Ondertussen zien we vele hoogte- en dieptepunten van Berlijn, varen we op een bootje naar een meer, dansen tot E.'s voeten er praktisch afvallen, maar dat valt allemaal in het niet op het moment dat we na dagen zoeken een Balzac hebben gevonden en ons met een daar verkregen koffie in het zachte gras onder de dom in het warme zonlicht baden, ver genoeg van Nederland om ons helemaal nergens zorgen over te maken.
maandag 4 mei 2009
Aardappel Deen
Hij heeft grauwblond haar en zijn hoofd heeft de vorm en structuur van een aardappel. Zijn ogen, klein en waterig blauw, weggevallen onder in borstelige wenkbrauwen overgaande denkrimpels. Een van zijn mondhoeken trekt wat als hij me iets onverstaanbaars vraagt. Door een flinke por in mijn zij heeft hij me weggerukt uit zoete dromen over verre landen en met de afdruk van de rits van mijn rugzak in mijn wang kijk ik hem verdwaasd aan. Het lijkt wel of hij schreeuwt. Wie heeft die muziek ook zo hard gezet? Ik pulk een van mijn oordopjes los. 'Rotterdam?' vraagt hij. 'Nee. Het laatste station is Rotterdam'. 'Oh. Sorry!'.
Hij komt uit Denemarken en wil praten. Hij heeft in Nederland gewoond en gaat nu op bezoek bij vrienden. In Rotterdam. Verdere koetjes en kalfjes slaat hij over en hij vraagt me of ik gelukkig ben. Eerst schieten me alle sociaal wenselijke antwoorden te binnen, vervolgens een rijtje vreselijk ongepaste. Buiten een prachtig maaiveld waar ik na een half antwoord opeens ontzettend in geinteresseerd ben. Maar hij blijft aandringen. Is het normaal in Denemarken om je onbekende medereiziger, die je net al genadeloos uit haar welverdiende slaap hebt getrokken, vragen te gaan stellen over de Zin van haar leven? Ik wil hem slaan.
Ongeveer tien minuten later, als ik mij weer veilig in mijn eigen wereldje heb geinstalleerd, krijg ik weer een stoot. Hij zag me net schrijven, en wil weten wat ik heb opgeschreven. 'Onvertaalbaar', mompel ik. Ik weet wat het is om een onbekende in een land te zijn, maar volgens mij voelt iedere volwassene met normaal ontwikkelde sociale voelsprieten aan dat er soms geen interesse is voor een gesprek. Aardappel Deen blijft echter volhouden. Zijn gezicht vertoont geen enkele uitdrukking als hij praat, in zijn twintig minuten pogingen tot toenadering heb ik hem nog geen enkele maal zien lachen. 'Het volgende station is Rotterdam Centraal, eindpunt van deze trein'. Hij schrikt. Moet eruit. En bedankt mij uitgebreid voor het Geweldige gesprek. Verbaasd kijk ik hem na en vraag me af hoe hij dit beleefde. Hij trekt een beetje met zijn been. De vlek op zijn tas heeft de vorm van Australie.
Hij komt uit Denemarken en wil praten. Hij heeft in Nederland gewoond en gaat nu op bezoek bij vrienden. In Rotterdam. Verdere koetjes en kalfjes slaat hij over en hij vraagt me of ik gelukkig ben. Eerst schieten me alle sociaal wenselijke antwoorden te binnen, vervolgens een rijtje vreselijk ongepaste. Buiten een prachtig maaiveld waar ik na een half antwoord opeens ontzettend in geinteresseerd ben. Maar hij blijft aandringen. Is het normaal in Denemarken om je onbekende medereiziger, die je net al genadeloos uit haar welverdiende slaap hebt getrokken, vragen te gaan stellen over de Zin van haar leven? Ik wil hem slaan.
Ongeveer tien minuten later, als ik mij weer veilig in mijn eigen wereldje heb geinstalleerd, krijg ik weer een stoot. Hij zag me net schrijven, en wil weten wat ik heb opgeschreven. 'Onvertaalbaar', mompel ik. Ik weet wat het is om een onbekende in een land te zijn, maar volgens mij voelt iedere volwassene met normaal ontwikkelde sociale voelsprieten aan dat er soms geen interesse is voor een gesprek. Aardappel Deen blijft echter volhouden. Zijn gezicht vertoont geen enkele uitdrukking als hij praat, in zijn twintig minuten pogingen tot toenadering heb ik hem nog geen enkele maal zien lachen. 'Het volgende station is Rotterdam Centraal, eindpunt van deze trein'. Hij schrikt. Moet eruit. En bedankt mij uitgebreid voor het Geweldige gesprek. Verbaasd kijk ik hem na en vraag me af hoe hij dit beleefde. Hij trekt een beetje met zijn been. De vlek op zijn tas heeft de vorm van Australie.
dinsdag 7 april 2009
Veranderingen
April is wakker geworden uit de slaperige winter; overal knoppen, groene blaadjes, bloemen, en een zon die het eventjes in zijn bol heeft gekregen. Avonden worden lichter, de eerste lammetjes staan te bibberen in de wei, er wordt al gras gemaaid. Het is alsof ik ontwaak in een nieuwe wereld. De dofheid van ziek zijn hangt nog in mijn buik maar mijn hoofd denkt heel af en toe weer lente.
Plannen zijn veranderd. Door de lange dagen niets durfde ik eindelijk te beslissen om te proberen er voor te gaan. Voor mijn droom. Het viel allemaal samen, het oude dagboek dat ik vond waarin uitgebreid beschreven stond dat ik het toneel op wilde. De gesprekken, met mensen onderweg, die telkens weer neerkwamen op dat ik iets wil maken, creeren, het liefst in het theater. Een toneelstuk dat ik zag. De telkens terugkerende vragen over waarom ik niet gewoon schrijver zou worden.
Opeens bleek de HKU een open dag te hebben, eentje waar ik me zo thuis voelde dat ik besloot dat het nu de tijd zou zijn om auditie te doen. De eerste ronde was vrijdag, het was een lange dag, en aan het einde las ik dat ik door was naar ronde twee, zaterdag. Weer een lange, geweldige dag. En nu wachten op een brief.
De tijd blijft kruipen. De dokter zegt dat ik geduld moet hebben. Een etterend gevoel van nutteloosheid is in de plaats van de zorgeloosheid gekomen en ik moet telkens weer oppassen niet te verdwalen in de zwaarte die niet alles kunnen met zich meebrengt. Het licht helpt. En binnen drie weken komt er, hoe dan ook, verlossende post.
Plannen zijn veranderd. Door de lange dagen niets durfde ik eindelijk te beslissen om te proberen er voor te gaan. Voor mijn droom. Het viel allemaal samen, het oude dagboek dat ik vond waarin uitgebreid beschreven stond dat ik het toneel op wilde. De gesprekken, met mensen onderweg, die telkens weer neerkwamen op dat ik iets wil maken, creeren, het liefst in het theater. Een toneelstuk dat ik zag. De telkens terugkerende vragen over waarom ik niet gewoon schrijver zou worden.
Opeens bleek de HKU een open dag te hebben, eentje waar ik me zo thuis voelde dat ik besloot dat het nu de tijd zou zijn om auditie te doen. De eerste ronde was vrijdag, het was een lange dag, en aan het einde las ik dat ik door was naar ronde twee, zaterdag. Weer een lange, geweldige dag. En nu wachten op een brief.
De tijd blijft kruipen. De dokter zegt dat ik geduld moet hebben. Een etterend gevoel van nutteloosheid is in de plaats van de zorgeloosheid gekomen en ik moet telkens weer oppassen niet te verdwalen in de zwaarte die niet alles kunnen met zich meebrengt. Het licht helpt. En binnen drie weken komt er, hoe dan ook, verlossende post.
dinsdag 24 februari 2009
Stuk
De kamer is groot en licht. Ramen kijken uit over de stad die onder mij uitgestrekt ligt. Een blauwe lucht, prachtige wolken. Het bed is breed en verstelbaar. Een keurig geklede dame komt naar me toe om te vragen of alles naar wens is. Ik keer mijn hoofd om en zeg dat het zulk prachtig weer lijkt te zijn vandaag. Ze glimlacht en zegt dat ze later, als ik van bed ben, terug zal komen om het even opnieuw op te maken. Als ze is vertrokken komt de roomservice langs met koffie en thee. Heerlijk blijf ik nog even liggen en terwijl ik langs de zenders op de kabeltelevisie zap realiseer ik me hoe zeer ik heb gebofd met een kamer op zo'n lokatie, met zulke service, en dat gratis!
Het enige probleem is dat ik er niet uit mag, sterker nog, kan. Ik ben stuk. Mijn hand is vernuftig vastgemaakt aan een apparaatje dat weer vastzit in het stopcontact en een grote zilverkleurige kapstok. Via dit apparaatje worden mij constant een flinke dosis vocht en Geheim Medicijn toegediend. Dit Geheime Medicijn zorgt ervoor dat ik dag en nacht uren en uren aan het slapen ben en alle gevoel voor tijd kwijtraak. In mijn buik zijn drie gaten gecreeerd die mij immobiel maken en waardoor Onbekende Mannen met een camera binnen vijf dagen twee keer de binnenkant van mijn lichaam hebben bekeken. Ik wist nooit dat mijn buik zo belangrijk was bij staan en lopen tot ik het niet meer kon. Elke dag komen Vrouwen in Witte Pakken 20 buisjes bloed afnemen, waarna ik naar verschillende kamertjes met Apparaten wordt gereden. Foto's, films, echo's, dansjes...
Tegenover me ligt een Lief Meisje van eind twintig. Ze werd wakker met een borst minder. Daarnaast een Gezellige Dame. Zij zal haar voet waarschijnlijk nooit meer goed kunnen gebruiken omdat er tijdens de operatie onverwacht een zenuw moest worden doorgesneden. Een vrouw met een tumor op haar slokdarm komt een paar dagen logeren en gaat weg met een vijf centimeter grote snee op haar keel. Een man met verkeerde cellen in een moedervlek op zijn arm. Nog een vrouw met een knobbel in haar borst. Sommige dingen bieden erg veel perspectief. De mensen komen en gaan, behalve de Gezellige Dame en ik. Tien lange dagen in een heel klein wereldje, waar een onderzoek een uitje is omdat je dan in je bed van de afdeling af mag.
'U heeft een prachtige dag uitgekozen.' Het is vrijdag de dertiende en zuster Anneke -zeker 30% van mijn zusters heet Anneke- helpt mij met opstaan. Mijn hand is losgemaakt van Het Apparaat. Ik mag dan toch naar huis, dat wil zeggen, het huis van mijn ouders waar ik vier weekjes zou zijn, als verrassing. Vier weken is veranderd in acht, de vlucht terug naar Canada is zonder mij vertrokken en de verzekering heeft besloten deze niet te vergoeden. Ik loop met de snelheid van een oudje, vergeet dingen na enkele minuten en slaap, slaap, slaap.
Gelukkig is er ook het gloednieuwe familielid L. Met hem kan ik praten. Niet lopen en veel slapen schept toch een band. Daarom komt hij elke dag even logeren, of ik ga naar hem toe. Dan ligt hij uren in mijn armen en kijkt me met zijn grote blauwe ogen aan. Op die momenten bestaat er geen tijd, of ruimte, of reis. En als ik zijn blonde haartjes in een hanekam modelleer, terwijl hij me ondertussen vol overgave onderspuugt, ach, dan valt het best mee nog een paar weken heel dicht bij hem te zijn voordat ik weer vertrek naar verre landen, waar ik niets te zoeken heb maar alles zal vinden.
Het enige probleem is dat ik er niet uit mag, sterker nog, kan. Ik ben stuk. Mijn hand is vernuftig vastgemaakt aan een apparaatje dat weer vastzit in het stopcontact en een grote zilverkleurige kapstok. Via dit apparaatje worden mij constant een flinke dosis vocht en Geheim Medicijn toegediend. Dit Geheime Medicijn zorgt ervoor dat ik dag en nacht uren en uren aan het slapen ben en alle gevoel voor tijd kwijtraak. In mijn buik zijn drie gaten gecreeerd die mij immobiel maken en waardoor Onbekende Mannen met een camera binnen vijf dagen twee keer de binnenkant van mijn lichaam hebben bekeken. Ik wist nooit dat mijn buik zo belangrijk was bij staan en lopen tot ik het niet meer kon. Elke dag komen Vrouwen in Witte Pakken 20 buisjes bloed afnemen, waarna ik naar verschillende kamertjes met Apparaten wordt gereden. Foto's, films, echo's, dansjes...
Tegenover me ligt een Lief Meisje van eind twintig. Ze werd wakker met een borst minder. Daarnaast een Gezellige Dame. Zij zal haar voet waarschijnlijk nooit meer goed kunnen gebruiken omdat er tijdens de operatie onverwacht een zenuw moest worden doorgesneden. Een vrouw met een tumor op haar slokdarm komt een paar dagen logeren en gaat weg met een vijf centimeter grote snee op haar keel. Een man met verkeerde cellen in een moedervlek op zijn arm. Nog een vrouw met een knobbel in haar borst. Sommige dingen bieden erg veel perspectief. De mensen komen en gaan, behalve de Gezellige Dame en ik. Tien lange dagen in een heel klein wereldje, waar een onderzoek een uitje is omdat je dan in je bed van de afdeling af mag.
'U heeft een prachtige dag uitgekozen.' Het is vrijdag de dertiende en zuster Anneke -zeker 30% van mijn zusters heet Anneke- helpt mij met opstaan. Mijn hand is losgemaakt van Het Apparaat. Ik mag dan toch naar huis, dat wil zeggen, het huis van mijn ouders waar ik vier weekjes zou zijn, als verrassing. Vier weken is veranderd in acht, de vlucht terug naar Canada is zonder mij vertrokken en de verzekering heeft besloten deze niet te vergoeden. Ik loop met de snelheid van een oudje, vergeet dingen na enkele minuten en slaap, slaap, slaap.
Gelukkig is er ook het gloednieuwe familielid L. Met hem kan ik praten. Niet lopen en veel slapen schept toch een band. Daarom komt hij elke dag even logeren, of ik ga naar hem toe. Dan ligt hij uren in mijn armen en kijkt me met zijn grote blauwe ogen aan. Op die momenten bestaat er geen tijd, of ruimte, of reis. En als ik zijn blonde haartjes in een hanekam modelleer, terwijl hij me ondertussen vol overgave onderspuugt, ach, dan valt het best mee nog een paar weken heel dicht bij hem te zijn voordat ik weer vertrek naar verre landen, waar ik niets te zoeken heb maar alles zal vinden.
zaterdag 17 januari 2009
Koud
Onder een blauwe lucht ziet de sneeuw er best aanlokkelijk uit. Het is tien uur en de dag is nog niet zo lang begonnen. De zon kijkt vrolijk over de de daken uit en ik besluit dat het tijd is om in de kou te gaan spelen. Met een geleende lange onderbroek, geleende wollen sokken en geleende handschoenen onder al mijn andere kleding, en een muts op, vind ik dat het wel kan. Het is -33, gevoelstemperatuur -42.
Het is niet de eerste keer dat ik naar buiten ga. Ik ben al vijf dagen in deze kleine stad naast Lake Superior met de briljante naam Thunder Bay en heb al meerdere malen ver gelopen (a. omdat ik geen geld heb voor de bus en b. omdat lopen zelfs in de diepe minnen best meevalt). Mijn net nieuwe computer besloot er na een week mee op te houden, nummer twee bleek het vanaf het begin niet te doen, en dus waren enkele tochten naar de Future Store vereist, waar iedereen die een toekomst denkt te hebben zijn/haar elektronica tweetalig kan vinden.
Het is echter tot nu toe nog niet zo koud geweest. Ik ben alleen thuis, mijn vrienden zitten in de warme universiteit en de onderbuurjongen slaapt. En dus de deur uit, naar het park. In een ver, warm verleden leek dit me een geweldig plan. Na anderhalve minuut voel ik dat de binnenkant van mijn neus bevroren is. Ik heb geen gevoel meer in mijn wangen en stamp driftig op de grond om het prikken van mijn voeten op te laten houden. Maar omdraaien is geen optie, voornamelijk omdat ik eindelijk na een half uur prutsen heb uitgevonden hoe ik de deur op slot krijg en al dat werk niet voor niets wil hebben gedaan. Ruim een kwartier later ben ik in het besneeuwde park. Iets dat lijkt op een halve schommel steekt boven de meterhoge sneeuw uit. Een wipwap is blijven steken op wip. Een ijsrandje heeft zich krakend op mijn wenkbrauwen gevormt. In de verte zie ik een grote bel en besluit me daar een weg naartoe te graven. Twee opties, het pad, of natuurlijk midden door de sneeuw. Drie meter verderop besluit de waterresistentie van mijn schoenen het op te geven. Mijn spijkerbroek is nat. Ik graaf, ik klim, ik zak tot aan mijn kruis en vraag me af wanneer en waar ik mijn verstand heb verloren. Maar uiteindelijk kom ik bij de bel aan.
Die bel. Prachtig. Mooiste bel die ik ooit heb aanschouwd. Zo prachtig klokvormig. Zo zonder pretenties, en zonder klepel. Het zwart reflecteerd tegen de zachte witte sneeuw. Dat ik me hier toch helemaal naartoe heb gegraven was het werk waard. Of misschien probeer ik mezelf dat wijs te maken. Terwijl ik me afvraag of ik het ooit weer warm zal hebben realiseer ik me waar ik naar kijk. Lake Superior ligt als een zee achter de gezellig rokende schoorstenen. Een schip baant zich een weg door de ijsrotsen. De grote reus ligt te slapen. Even rijst de temperatuur enkele graden. Dan draai ik me om en glijd met nieuwe moed (die een halve seconde duurt) weer naar beneden, knal zonder gevoel in mijn tenen huiswaards en kom erachter dat de heenweg ook beschreven kan worden als de Hele Lange Omweg. Binnen vijf minuten zit ik in mijn pyama op de bank, met thee en een muffin.
Het is niet de eerste keer dat ik naar buiten ga. Ik ben al vijf dagen in deze kleine stad naast Lake Superior met de briljante naam Thunder Bay en heb al meerdere malen ver gelopen (a. omdat ik geen geld heb voor de bus en b. omdat lopen zelfs in de diepe minnen best meevalt). Mijn net nieuwe computer besloot er na een week mee op te houden, nummer twee bleek het vanaf het begin niet te doen, en dus waren enkele tochten naar de Future Store vereist, waar iedereen die een toekomst denkt te hebben zijn/haar elektronica tweetalig kan vinden.
Het is echter tot nu toe nog niet zo koud geweest. Ik ben alleen thuis, mijn vrienden zitten in de warme universiteit en de onderbuurjongen slaapt. En dus de deur uit, naar het park. In een ver, warm verleden leek dit me een geweldig plan. Na anderhalve minuut voel ik dat de binnenkant van mijn neus bevroren is. Ik heb geen gevoel meer in mijn wangen en stamp driftig op de grond om het prikken van mijn voeten op te laten houden. Maar omdraaien is geen optie, voornamelijk omdat ik eindelijk na een half uur prutsen heb uitgevonden hoe ik de deur op slot krijg en al dat werk niet voor niets wil hebben gedaan. Ruim een kwartier later ben ik in het besneeuwde park. Iets dat lijkt op een halve schommel steekt boven de meterhoge sneeuw uit. Een wipwap is blijven steken op wip. Een ijsrandje heeft zich krakend op mijn wenkbrauwen gevormt. In de verte zie ik een grote bel en besluit me daar een weg naartoe te graven. Twee opties, het pad, of natuurlijk midden door de sneeuw. Drie meter verderop besluit de waterresistentie van mijn schoenen het op te geven. Mijn spijkerbroek is nat. Ik graaf, ik klim, ik zak tot aan mijn kruis en vraag me af wanneer en waar ik mijn verstand heb verloren. Maar uiteindelijk kom ik bij de bel aan.
Die bel. Prachtig. Mooiste bel die ik ooit heb aanschouwd. Zo prachtig klokvormig. Zo zonder pretenties, en zonder klepel. Het zwart reflecteerd tegen de zachte witte sneeuw. Dat ik me hier toch helemaal naartoe heb gegraven was het werk waard. Of misschien probeer ik mezelf dat wijs te maken. Terwijl ik me afvraag of ik het ooit weer warm zal hebben realiseer ik me waar ik naar kijk. Lake Superior ligt als een zee achter de gezellig rokende schoorstenen. Een schip baant zich een weg door de ijsrotsen. De grote reus ligt te slapen. Even rijst de temperatuur enkele graden. Dan draai ik me om en glijd met nieuwe moed (die een halve seconde duurt) weer naar beneden, knal zonder gevoel in mijn tenen huiswaards en kom erachter dat de heenweg ook beschreven kan worden als de Hele Lange Omweg. Binnen vijf minuten zit ik in mijn pyama op de bank, met thee en een muffin.
Abonneren op:
Posts (Atom)